TOCH MAAR GEEN OUWELULLENTRIP (21102005)

Zondag, 16 oktober 2005. De taxichauffeur die me naar het internationale vliegveld van Buenos Aires brengt, heeft voor mijn gevoel ijzeren zenuwen. Precies een week geleden werd bij een tolhuisje iemand door een medeweggebruiker dood geschoten omdat hij voorpiepte en vanmorgen nog stond in het dagblad Clarín dat Argentijnen een bloedhekel hebben aan iemand die voorpiept. Desondanks piept hij voor bij de tol. Kijkt vast en zeker geen televisie en leest geen kranten of het kan hem gewoon niets schelen. Misschien wel omdat de derde zondag in oktober de Argentijnse Moederdag is, komen we er zonder kleerscheuren vanaf. Het bij iedere gelegenheid keurig in de rij staan, is een ware verademing als je uit een land als Nederland komt waar iedereen zich overal naar binnen lijkt te willen vechten. Lang geleden was ik daar aan gewend en deed er volop aan mee. Tot mijn genoegen heb ik dat verleerd, waardoor zulk gedrag tegenwoordig vele malen harder aankomt dan voorheen.

Op het vliegveld staat een lange rij geduldig wachtende Chilenen voor de incheckbalie. Die hebben zichtbaar zeer uitgebreid in Buenos Aires gewinkeld. Voor hun is dat de stad van “doe er maar twee” omdat alles veel goedkoper is dan in hun eigen land. Je herkent Chilenen meteen aan hun accent, het voortdurende gebruik van de stopwoordjes “ya” en “oye”, de zelden uitgesproken letter “s” en hun falsetachtige stemmen. Het vliegtuig zit stampvol. Ik heb één van de lulligste plaatsen, een stoel in het midden van de op een na laatste rij. En dat terwijl me een plaats aan het gangpad was beloofd. Gelukkig blijft de stoel naast mij leeg, zodat het toch weer meevalt op deze korte vlucht van slechts 1138 kilometer. Minder dan twee uur. Voor het opstijgen doen de Chilenen niets anders dan uitgebreid foto’s van elkaar schieten. Met hun net gekochte fototoestellen?? Zeer drinkbare rode wijn en de muziek van “Let it be” van de Beatles op de koptelefoon maken de ongemakken dragelijk. Hoewel het wellicht wat luguber klinkt, wil ik dat op mijn crematie “Let it be” wordt gespeeld. Voor de zekerheid heb ik het op CD, LP en cassette zowel in Buenos Aires als in Rotterdam klaar liggen.

Vorige week las ik het boek “Mi país inventado” van Isabel Allende. Mijn vertaling daarvan zou “Het door mij bedachte land” zijn. De ongetwijfeld hoog opgeleide vertaler van deze autobiografische vertellingen heeft er “Herinneringen aan mijn Chili” van gemaakt. Dat dekt de lading, maar reflecteert zijn/haar interpretatie van de tekst na het boek te hebben gelezen. Ik vind mijn eigen vertaling stukken beter. De vader van de schrijfster was een neef van de legendarische Salvador Allende. Tijdens het bewind van diens “opvolger” Generaal Pinochet ontvluchtte Isabel haar vaderland, waar ze sindsdien veel van droomt en dat ze sindsdien verheerlijkt. In het boek verhaalt ze hoe tijdens een verblijf op het Paaseiland in de zomer van 1974 de Generaal op bezoek kwam om de eilanders eigendomsbewijzen van hun grond uit te reiken. De Paaseilanders waren daar niet echt in geïnteresseerd. Die wisten al honderden jaren, lang voordat hun eiland op 9 september 1888 door de Chilenen werd geannexeerd, welk lapje grond van wie is. Op het moment dat ik het las, had ik me nooit eerder gerealiseerd dat het Isla de Pascua Chileens grondgebied was. On apprend tous les jours.

“Je weet toch dat je in Santiago lekker vis kunt eten?” voeg een collega twee dagen voordat ik voor mijn werk naar Santiago de Chile zou reizen. Natuurlijk wist ik dat. Vorig jaar, toen de ober van een visrestaurant in Santiago vertelde dat er buiten de kaart “Tonijn van het Paaseiland” werd geserveerd, vond ik dat wel gek en bekeek het menu verder niet eens. Dat moest ik zonder meer proberen. Tot aan dit gesprekje op kantoor was ik een weekeindreis naar de Colchagua Vallei en de Wijnroute aan het plannen. Na gedane arbeid terug naar huis wandelend, vond ik het opeens een ouwelullentrip die je moet maken als je oud bent en minder mobiel. Hetzelfde gebeurde vorig jaar, toen belandde ik uiteindelijk in de woestijn van Atacama. Paaseiland, dat moest het reisdoel worden! Eenmaal thuis belde ik met het reisbureau in Santiago om de veranderde plannen te bespreken.

Chili heeft niet alleen het Paaseiland ingepikt, al veel eerder werd de eilandengroep Juan Fernández veroverd en ingelijfd. Een van de eilanden, Selkirk Island, is vernoemd naar Robinson Crusoë over wiens belevenissen Daniel Defoe in 1719 een spannende kroniek publiceerde. Juan Fernández is op dit moment voorpaginanieuws in Chili vanwege een schat die er door een Spaanse edelman zou zijn begraven. De taxichauffeur, die me van het vliegveld naar mijn hotel brengt, vertelt er een sappig verhaal over. De Amerikaanse industrieel en archeoloog Bernard Keiser is sinds 1998 op zoek naar de schat, die hij via archiefonderzoek op het spoor is gekomen. Het zou om goud gaan en om edelstenen met een geschatte waarde van tien miljoen Dollar. Hoewel zeven jaar graven tot op heden niets heeft opgeleverd, claimt plotseling een Chileens bedrijf de schat, die ze met een speciaal ontwikkelde robot zouden hebben ontdekt. Allerlei goudzoekers trekken richting Juan Fernández, volgens de Chileense pers is er sprake van goudkoorts. De robotman mocht op zijn alma mater, een prestigieuze universiteit in Valparaíso, uitleggen hoe slim zijn robot wel niet was. Hij werd halverwege zijn betoog door een prof onderbroken, die vond dat hij onzin stond uit te kramen. Dit zijn de faits divers waar ik dol op ben en waar taxichauffeurs experts in zijn Met de besneeuwde toppen van de Andes die Santiago omringen op mijn oogvlies en de verhalen die verder niets om het lijf hebben, voel ik me gelijk weer op mijn gemak in het door Isabel Allende bedachte land. De eerste etappe richting Paaseiland zit erop.

wordt vervolgd