|
EEN VREEDZAME ZONDAG IN RIO DE JANEIRO 3 (16102005) Op de brede Avenida Brasil, de door de week superdrukke uitvalsweg van Rio de Janeiro, is het op deze zondagmiddag net zo vreedzaam als elders in de stad. Geen lange rijen langzaam rijdende vrachtauto´s en slalommende autocoureurs in de dop. Voor de verandering kan er lekker onthaast worden gereden. We praten na over de wat tegenvallende exposities die we nog snel even dachten te bekijken omdat we toch in het centrum van Rio waren. In het Centro Cultural van de Banco do Brasil was niets te zien, men was druk doende met het opruimen van de vorige en het hangen van de nieuwe exposities. In het Culturele Centrum van de Posterijen werd toevallig een verdieping geverfd en op de andere werd wat bedaagd grafisch en ander design getoond dat nauwelijks de moeite waard was. Bij nader inzien waren de enorme op straat liggende en staande eendimensionale abstracte vrouwenfiguren, gemaakt van roestige ijzeren platen, nog het aardigst. Volgende keer beter. Een berichtje op pagina 25 van het dagblad “O Globo” had gisteren mijn aandacht getrokken “Eerbewijs aan de heilige begint met het wassen van de trap.” Dit wat triviaal lijkende nieuwtje en de affiche in het portaal van de kerk in de Rua do Ouvidor verwijzen beide naar hetzelfde religieuze festival. Een feest in en rond de kerk van Nossa Senhora da Penha de França, dat de hele maand oktober zal gaan duren. Het kerkje aan de buitenkant van Rio intrigeert me al jaren, maar ik ben er nooit eerder naar toe gegaan. Bij aankomst op en vertrek van het internationale vliegveld valt het kerkje onmiddellijk op. Het staat eenzaam op een kale rotspunt die boven alles uitsteekt en afsteekt tegen de verderop gelegen bergen. Penha is niet voor niets het Portugese woord voor “steile rots.” Een paar jaar lang reed ik er bovendien bijna dagelijks op afstand voorbij als ik van mijn werk op Ilha do Governador via de Linha Vermelha, de grote weg, terug naar huis in Leblon reed. Eindelijk sta ik dus aan de voet van de rots en begin aan de klim naar boven. Aan de achterkant is de rots minder steil, daar is een langzaam klimmende kasseienweg aangelegd. “Paralelopipedos” heten die kasseien hier zo mooi, het equivalent van de Nederlandse “kinderhoofdjes.” Het begin van de weg is omzoomd met kraampjes waar snacks en drankjes wordt verkocht, er is een pretpark. De weg klimt gestaag, vals plat signaleren mijn kuitspieren. Een hek, een scherpe bocht naar links, nog meer vals plat. Iets verderop een trap met brede treden, aan de voet bedelaars, rolstoelers, blinden en mensen met krukken. Verder klimmen is voor hun niet gemakkelijk. Bovenaan de trap een plateau met een kerk, een winkel met religieuze souvenirs, een half overdekt podium dat klaar staat voor de mis, gedragen muziek van een blaaskapel. En….het begin van de steile trap waarvan de treden gisteren nog zijn gewassen. Grote borden met vriendelijke, doch dringende verzoeken: “Sinds 1635 klimmen velen hier naar boven om te gaan bidden. Gedraag u op gepaste wijze. ORA que melhORA - bidt opdat het beter wordt” en “Dit is een gewijde plek, wij verzoeken u niet zonder overhemd of schaars gekleed verder te gaan.” Het is overduidelijk dat de definitie van “schaars” per generatie verandert. Naarmate de vrouwelijke bezoekers jonger zijn, zijn de rokjes korter en de topjes kleiner en strakker. Wij vergoelijken dat door te veronderstellen dat ze gewoon te arm zijn om voor meer vierkante centimeters kleding te kunnen betalen. Voor de gemakzuchtige bedevaartganger is naast de trap een oerlelijke en uit de toon vallende funiculaire aangelegd. Net zo een als naast de trappen van de Sacré-Coeur in Parijs. Als de zon fel zou hebben geschenen, zou ik wellicht in de verleiding zijn gekomen om met deze mechanische hulp naar boven te gaan. Hoewel ik dat eigenlijk ongepast vind, een echte pelgrim gaat te voet! Er zijn zelfs pelgrims die de trap op hun knieën bestijgen, op de weg terug zullen we er een zien. Na de 382 treden te hebben beklommen, sta ik oog in oog met het kerkje. Het uitzicht is fantastisch. In de verte het vliegveld en de eeuwige vlammen van de raffinaderij van Duque de Caxias en dichterbij aan de andere kant de met favela´s begroeide heuvels. Het gebouw zelf valt tegen. Zowel wat de buitenkant betreft als het sobere interieur. De pracht en praal van kerken die rond dezelfde tijd in Salvador de Bahia en in de deelstaat Minas Gerais werden gebouwd, ontbreekt hier. Het interieur doet bijna calvinistisch sober aan, behalve het Mariabeeld op het altaar is er weinig te bewonderen. Het huidige kerkgebouw dateert uit 1870 en staat op de plaats waar de landeigenaar in 1635 een kapel bouwde. In 1728 werd die kapel uitgebreid en werd de trap in de rots gehakt. Het is druk in en rond de kerk, het va et vient op de trappen gaat onverminderd voort. Een man gaat op zijn knieën naar boven, onderaan de trap staat er een lange rij mensen, die zo te zien goed ter been zijn, op de funiculaire te wachten. De blaaskapel speelt onverdroten voort. Hun instrumenten zijn dof en gebutst, hun kleding verwassen. De bladmuziek is met wasknijpers vastgeklemd in de kraag van het shirt van de muzikant in de rij ervoor.De devotie die ze uitstralen is er niet minder om. De afdaling gaat een heel stuk makkelijker dan de klim naar boven. Beneden zijn flink met cachaça aangelengde drankjes met frivole, maar wat zondige, namen te koop. Een “Orgasmo” of een “Levanta Pau. Een “orgasme” of een “pik omhoog.” Ik eet liever een “cocada de maracujá” een lekker grote kokosmakroon met de smaak en de kleur van passievruchten en drink liever ijskoude guaraná. Heerlijk! Aldus komt er een smakelijk einde aan een vreedzame zondag in Rio de Janeiro. Slot |