Na Singapore, Indonesië, Australië, Nieuw Zeeland en Chili belandde Chris Kwant voor de derde keer in drie jaar in Buenos Aires. Deze keer vielen hem vooral de straatartiesten op, levend bewijs van de vergane glorie van de stad.

Wat Chris zoal beleefde tijdens zijn wereldreis is te lezen op zijn eigen website: www.chriskwant.nl

VERGANE GLORIE (25082005) - gastbijdrage van Chris Kwant

Zoals elke stad ter wereld heeft ook Buenos Aires zijn zwervers, straatartiesten en muzikanten. Dat ik ze in één adem noem, wil niet zeggen dat alle straatartiesten of alle muzikanten zwervers zijn. Dat is zeker niet het geval, ook al zijn er die een zwervend bestaan leiden en met muziek of een ander kunstje in hun onderhoud voorzien. Ik heb de gewoonte ontwikkeld die gasten, het zijn vrijwel altijd mannen, niet zomaar voorbij te lopen. Afhankelijk van de prestatie stort ik een bijdrage in hoed of gitaarkoffer. Ik moet dan wel kleingeld bij me hebben want de muzikant te moeten onderbreken met de vraag of hij terug heeft van 100 peso’s gaat mij iets te ver. Pas nadat ik drie keer langs hem ben gelopen, besluit ik een CD te kopen van Ruben Rodriguez, een beenloze zanger-gitarist. Pas die derde keer viel het mij op dat hij echt een goede stem heeft. Hij staat er op de CD te signeren. Onhandig pulkt hij het hoesje uit het doosje en krabbelt er iets onleesbaars op. Alleen “Amigos Holandeses” en “tank you” kan ik ontcijferen. Terwijl hij bezig is, probeer ik uit te vinden hoe het komt dat hij zijn benen kwijt is. Hij reageert ontwijkend en verstaat ineens een stuk minder Engels. Ik laat het zo.

Ik ben er van overtuigd dat géén stad compleet is zonder een bonte verzameling straatartiesten en zwervers. Ik zou me in een stad zonder niet thuis kunnen voelen. Want naast geveltjes en pittoreske doorkijkjes zijn zij evenzeer bezienswaardige stadsgezichten. Maar er is méér. Ik meen dat je ergens van hun oogopslag of doorgroefde gelaten kunt aflezen hoe het met de economie is gesteld en vooral met de mate waarin de onderkant van een samenleving daarvan profiteert, dan wel de onredelijke lasten draagt. Uiteraard is Buenos Aires geen uitzondering op die regel. Maar ik luister niet alleen, ik kijk bovenal en probeer te bedenken welk verhaal er zou kunnen steken achter de droevige blik waarmee vol overgave wordt gespeeld op harp of gitaar. Ik vraag me af of zij hier zouden staan als ze een gewone baan zouden kunnen krijgen. Is dit écht vrijwillig? Misschien, als de omstandigheden anders waren geweest, speelden zij tegen een vast en redelijk loon bij het beroemde orkest van het Teatro Colón. Misschien was dát wel hun grote droom toen zij voor het eerst een harp of gitaar beetpakten. Misschien is het nog stééds hun droom! Het zal ongetwijfeld allemaal anders zijn. Je kunt er nooit écht achterkomen. Hun realiteit nu, in de winter van 2005, is dat zij tot laat in de avond moeten spelen in verlaten parken of zittend voor de lege etalage van Harrod’s, een duur warenhuis dat de economische crisis ook niet heeft overleefd.

Onder een grote boom in een park met uitzicht op het beroemde kerkhof van Recoleta, klinkt opeens een heldere gitaar en zingt een versleten stem “Por Una Cabeza” van Carlos Cardel. Ik slenter quasi onverschillig dichterbij en zie hoe twee mannen hun best doen om de aandacht te trekken van de weinige toeristen. Ik blijf staan kijken hoe die twee hun act opvoeren. Even denk ik Van Kooten en De Bie tegen het lijf te zijn gelopen. De gitarist draagt een versleten regenjas en houdt zijn instrument ongewoon hoog voor zijn borst. In de gitaarkoffer liggen wat vergeelde krantenfoto’s en tijdschriften met het portret van de zanger. Naar die krantenknipsels te oordelen heeft hij ongetwijfeld betere dagen gekend. Slecht bij stem staat hij nu op straat zijn geld te verdienen. Hij draagt goed zichtbare make-up en de karakteristieke zwarte hoed. Hij heeft onmiskenbaar de uitstraling van een “Cantor” maar succes en applaus zijn allang vervlogen. Die twee belichamen voor mij de vergane glorie van Buenos Aires die na jaren van keiharde crisis meer en meer zichtbaar wordt. Daartoe uitgenodigd deponeer ik wat peso’s in de gitaarkoffer. Met prachtige hoge en diepe uithalen, spelen en zingen zij daarna een hartverscheurend lied over ene Consuela. Van de teksten begrijp ik geen woord. Maar ik fantaseer dat het over een ongelukkige liefde gaat of over het verlangen naar de terugkeer van een minnaar. Als ik de expressie op het getekende gezicht van de zanger goed lees, zit ik er niet ver naast. Het is triestheid dat de klok slaat. Maar ik moet erkennen dat ik sinds mijn vorige bezoek aan Buenos Aires iets ondefinieerbaars heb met de melancholie van de Tango.

Op nog geen 100 meter van deze straatarbeiders heeft zich een grote groep standvastige aanhangers en aanbidders van Evita Perón verzameld. Gewapend met vlaggen en banieren staan zij druk debatterend bij de ingang van het kerkhof van Recoleta. De omgeving is bezaaid met weggewaaide pamfletten. Het is vandaag 53 jaar geleden dat Evita is overleden. Elke sterfdag opnieuw worden massa’s bloemen gelegd bij de grafkelder van de familie Duarte, waarin zij is bijgezet. Haar aanhang zingt strijdlustig de oude socialistische liederen voor en over hun heldin. In het smalle straatje doet men verwoede pogingen om de herinnering aan de gloriedagen van Evita en het heil brengende Peronisme levend te houden. Nog steeds zijn het de hemdlozen, de armen en de arbeiders die Evita als lichtend voorbeeld hebben voor een nieuwe en glorieuze toekomst voor Argentinië. De fanatieke aanhangers plakken de omliggende tombes vol met posters. Hoewel de Peronistische beweging tot op het bot is verdeeld, vormt zij nog altijd een factor van betekenis in de Argentijnse politiek. Mijn conclusie is, dat als er ergens vergane glorie te zien is, het wel vandaag op deze begraafplaats is.