SOMS HERINNERT ARGENTINIË MIJ AAN AFRIKA 16 - SLOOP (28072005)

Argentinië lijkt beslist niet op Afrika, het tegendeel is eerder waar. De bevolking is bijna 100% blank en laat te pas en vooral te onpas weten van Europese afkomst te zijn. Zelden kom ik op straat een donker gekleurde medemens tegen. De zon schijnt ook veel minder en als het regent, voelt het regenwater als een koude douche. Lang niet zo lekker als een lauwe tropische regenbui. Zeker, de corruptie schijnt groot te zijn, maar aan de andere kant is er een goede en functionerende infrastructuur. De Argentijnen laten zich er graag op voorstaan in het meest Europese land van Latijns Amerika te wonen en hebben er alles aan gedaan om Buenos Aires zoveel mogelijk op Parijs te laten lijken: brede boulevards en statige huizen. Ondanks dit alles gebeuren er regelmatig dingen die mij aan Afrika herinneren, zoals deze week.

Bij de ingang van de expositieruimte staat een glad afgesleten autoband op een piëdestal. Al veel te ver heen om van een nieuw profiel te voorzien, maar met nog genoeg rubber erop om er klassieke Azteekse patronen in te snijden. Zoals de traditie vereist, zijn die met goudverf ingekleurd. Verassend andere kunst om de grijze winterdagen in Buenos Aires wat op te fleuren. Een tentoonstelling van afgedankte banden, velgen, motorkappen en achterkleppen die zijn besneden of beschilderd. Dankzij de Mexicaanse Betsabeë Romero zijn ze aan de schroothoop ontsnapt en een nieuw leven als kunstwerk begonnen. “Op deze expositie wil ik laten zien hoe we in onze maatschappij met het wiel omgaan. Dat doe ik met oude autobanden waarin ik boodschappen snijd en bloemen. Sinds 1997 werk ik met delen van auto’s, met banden en onderzoek de betekenis van de auto in onze samenleving.”

Banden met Azteekse symbolen, met bloemmotieven of die zijn gebruikt als een soort rubber stempel waarmee, tot en met de slechte afdrukken toe, goede sier wordt gemaakt. Er hangt een rubbergeur in plaats van die van olieverf of acryl die je hier normaal kunt opsnuiven. Wel gek, maar toch vallen de banden in het niet bij de andere werken. De voorklep van een Volkswagen Kever is fraai beschilderd met een berglandschap. Besneeuwde toppen, links een bos, in het midden een waterval die in een meer stort, rechts loopt een steile weg waar een VW Kever uit de bocht vliegt. Macarita en Benoto Zotto, de inzittenden, overleven het ongeluk en staan aan de rand van het water om de Maagd Maria, die boven het bos zweeft, te danken voor hun redding. Op de motorkap van een onbekend merk de afbeelding van een stadsplein, ik herken onmiddellijk een Plaza Mayor. Links de uit de kluiten gewassen kathedraal, ervoor staan mannen in uniform. Beschermen ze het godshuis tegen een geagiteerde menigte of is het een feest? Aan de kop van het plein staat een overheidsgebouw, waarschijnlijk het Paleis van de President of de Gouverneur. Aan de onzichtbare rechter kant vast en zeker het Gerechtshof, de derde poot van de heilige drie-eenheid van een Spaanse kolonie. In het midden van het plein dus die opgewonden menigte. Plezier of woede?. Uit de straat links nadert een auto, type Amerikaanse klassieker. Pas na lang kijken zie ik dat de auto met flessen wordt bekogeld. Een kwaaie menigte derhalve, niks geen volksfeest. “De Hemel zij gedankt. Ik dreigde hier in 1897 mijn leven en mijn auto te verliezen door een vechtpartij. Onze Lieve Vrouw van het Licht redde ons. Als dank dragen wij haar dit tableau op.” Licht de tekst in de rechter benedenhoek toe. Volksgeloof en geloof op een bijzondere manier vereeuwigd op deze voor de sloop bestemde motorkap.

In Nigeria was een zakenreis naar Europa goud waard dankzij de “esta code”, de ruime dagvergoeding in Amerikaanse Dollars. Collega Kayode O. vroeg mij recht op de man af of hij twee weken naar Londen mocht, waar hij op dat moment echt niets had te zoeken. De verbazing op mijn gezicht leidde tot de toelichting dat hij minstens eens per jaar een buitenlandse reis van twee weken nodig had om het schoolgeld voor zijn twee dochters te kunnen betalen. Zowel hij als zijn vrouw hadden een universitaire opleiding en een goede baan, maar verdienden te weinig om zich de luxe van een privé school te kunnen permitteren. We regelden dat zijn kinderen niet van school werden gestuurd. Mijn baas Aminu M., volgens zeggen geparenteerd aan de toenmalige President Babangida, ging mee naar Londen om een geautomatiseerd boekhoudsysteem te selecteren. Hij verscheen op maandag om kennis te maken en moest toen “even naar de bank.” Op vrijdag zagen we hem weer, net op tijd voor de lunch. Daarna was het tijd voor het vrijdagse gebed in de moskee. Boze tongen beweerden dat hij van zijn opgespaarde “esta code” een paar tweede hands Mercedessen aan het onderhandelen was. Datzelfde deden de ingenieurs die op het projectbureau in Den Haag aan het werk waren, doch zelden kwamen opdagen. Ze hadden het te druk met het omzetten van hun dagvergoedingen in zakken cement, destijds een luxe product in Nigeria, en tweedehands auto’s en om daar vervoer terug naar huis voor te regelen..

Mijn vriend Jos had een jaar of 10 jaren geleden een Nigeriaanse medewerker van een ONG te logeren. De man was in Nederland voor een congres, maar had daar nauwelijks tijd voor. Er moesten auto’s worden gekocht. Op een dag kwam hij glunderend thuis, de zaken waren prima gegaan. “Waar ben je geweest?” informeerde Jos. “In Sloep” zei de logee. “Waar is dat?” Het was in de buurt van Amsterdam, het stond zelfs op het plaatsnaambord. Na wat vergeefs doorvragen, vroeg Jos hem de naam te spellen “S-L-O-O-P!” Bij het zien van al die van de sloop geredde auto onderdelen schoot dit verhaal me te binnen en dwaalden mijn gedachten af naar mijn voormalige Nigeriaanse collega’s die in Europa altijd zo druk doende waren om afdankte auto’s van de sloop te redden. Wat een expositie van Mexicaanse kunst in het winterse Buenos Aires al niet aan herinneringen aan tropisch Afrika kan oproepen.