RAGGEN (26052005)

“Je lacht je lul toch uit je broek!” zegt de chauffeur van de taxi naar Schiphol. Die uitdrukking kende ik nog niet. Uit de context valt op te maken dat het een schampere opmerking is, want hij spreekt schande over de graaicultuur die in ons vaderland zou heersen. Een half uur later wordt mij door een medepassagier het nieuwe woord “pyjamadag” in de schoot geworpen. Zij wil niet dat haar moeder in een verpleeghuis wordt opgenomen om haar dat soort dagen te besparen. Tijdens zo’n pyjamadag wordt een patiënt een hele dag niet in de kleren gehesen, zo wordt mij uitgelegd. Dit is een van de manieren waarmee ik mijn Nederlandse woordenschat op peil moet proberen te houden. Via de column van Youp van ’t Hek in de NRC leerde ik recent het woord “rukritje.” Een verwijzing naar een homofiel die een ritje naar een parkeerplaats langs de grote weg maakt om daar wat seksueel plezier te beleven. In diezelfde NRC stond een artikel over de “schaduwweduwe” een mooi nieuw woord voor een buitenechtelijke geliefde, die vroeger gewoon “maîtresse” heette. Kort daarna werd uitgebreid bericht over “Lonsdalejongeren” oftewel probleemjongeren. ’t Is haast niet bij te houden.

“Weet je wat ik het allervervelendste van Nederland vind?” vraagt de Canadese collega met Italiaanse ouders die met haar Griekse echtgenoot in Capelle aan de IJssel woont. Ondanks dat het me meer interesseert hoe ze daar terecht is gekomen, moedig ik haar toch aan. “Alles is een probleem” onthult ze. Daarna volgt een relaas over het inschrijven van haar kort geleden verworven huwelijkse status bij de burgerlijke stand of liever de weigering daarvan door een norse ambtenaar. Voor de rest blijkt het best mee te vallen, behalve tijdens die verschrikkelijke hamsterweken bij de supermarkt, “Dan” zo legt ze uit “zijn de schappen met de producten die in de aanbieding zijn, steevast leeg. “Ik zou liever 10% meer betalen dan iedere keer opnieuw noodgedwongen naar een andere winkel gaan voor iets dat ik echt nodig heb.” Voor de rest is Nederland een prima land om te wonen ……………. voor een paar jaar en echt niet langer.

Vlak voor sluitingstijd op zaterdagmiddag kom ik bij Albert Heijn een vrouw met een burqa tegen, de gezichtssluier die alleen een paar spiedende ogen vrij laat. Zelfs in conservatieve moslimlanden in Afrika zag ik zoiets haast nooit Iedere keer als ik in Nederland ben, lijkt het er op of er alweer meer caissières en vakkenvullers zijn met een hijaab, een hoofddoekje. Het geld dat ze aannemen en terug geven en de producten waarmee ze de vakken vullen, zijn kennelijk altijd hallal - rein. Of het aan de hamsterweken ligt “dat wordt weer lekker inslaan” weet ik niet, maar de schappen zijn behoorlijk leeg. Concurrent C100O verkondigt met grote reclameposters bij bus- en tramhaltes dat het wat hun betreft de “matsweken” zijn, “2 voor 1.” Hamsteren en matsen als aanmoediging om klanten de winkel in te lokken, degene die dat heeft bedacht zou zijn of haar schaamte eens een tijdje achter een burqa moeten verbergen.

“Ragt u?” vraagt mijn Rotterdamse tandarts streng. “Wat is dat nu weer?” is mijn wedervraag. Nooit van gehoord. Mijn volwassen leven lang hebben opeenvolgende tandartsen mij voorgehouden hoe belangrijk het is om stevig te poetsen, een tandenstoker te gebruiken en te flossen, opeens blijkt dat tegen de hedendaagse regels te zijn. Mijn klassieke tandenborstel moet zo snel mogelijk worden vervangen door een elektrische, het liefst van het merk Braun. Daarmee moet worden gepoetst volgens het BBB principe, binnenkant, bovenkant, buitenkant én er moeten “raggertjes” miniborsteltjes worden gebruikt voor de ruimtes tussen de kiezen en een tandenstoker voor de rest. In de etalage van de Witte Tandenwinkel heten die raggertjes “interdentaalborstels.” De novo Nederlandse tandartstaal staat nog niet eens in Van Dale’s on line woordenboek voor Hedendaags Nederlands, zo nieuw is het.

Twee jongetjes van een jaar of tien vinden dingen “lauw.” Mijn vragende blik wordt beantwoord met de uitleg dat dit de opvolger van “cool” is. Op de Engelse televisie een reportage over tieners met blauw geslagen ogen als het gevolg van wat eufemistisch “happy slapping . blije klappen” heet. In het vaderland wordt voorgesteld om asociale buurtbewoners voortaan in een “hufterhut” een container te huisvesten. De bofkonten. In West Afrika heb ik heel wat containers tot een meerkamerwoning of zelfs tot een leuke buurtwinkel zien omtoveren. “Keetdrinken” jawel dat is “drinken in een keet” schijnt op het platteland erg populair te zijn. Er zou worden geschonken aan jongeren onder de leeftijd waarop ze volgens de wet die lichte alcoholische versnaperingen pas lekker mogen vinden. Uiteraard is er wetenschappelijk onderzoek gedaan om aan te tonen dat het om een groot sociaal probleem gaat. Inderdaad, Nederland is een land wat goed is in het bedenken van problemen realiseer ik me. Het “bouwvakkers decolleté” is geen lekker laag uitgesneden bloesje of zo, doch een laaghangende broek die een flinke bilspleet toont. Hurkende stratenmakers en metselaar schijnen dit soort decolleté met enige trots te tonen. “Bling bling” beschrijft glinsterende juwelen en andere glimmertjes. ’t Is lang geleden dat ik in zo’n korte tijd zoveel nieuwe woorden heb opgedaan.

In de wachtruimte op Schiphol komt tangomuziek uit het plafond. “Hay milonga mi amor?” zingt de geknepen sexy vrouwenstem. Het is mijn favoriete nummer van de CD “Gotan Project.” Nog twintig uren wachten, vliegen, overstappen, verder vliegen, taxi en dan ben ik terug thuis in Buenos Aires. Daar komt de tango gelukkig van een podium in plaats van uit het plafond. Daar zal ik de tijd nemen om te oefenen met het raggen van mijn gebit en om te ontdekken wat je moet doen om “je lul uit je broek te lachen.” Nooit gedacht dat de Nederlandse taal me zover van huis zo zou kunnen boeien.