KUNSTBLOEMEN (05112004)

Zondag 31 oktober. In Europa is de klok vroeg in de nacht op “wintertijd” gezet, in Buenos Aires is het een lekkere voorjaarsdag, de eerste dit jaar. In Uruguay, aan de overkant van de Río de la Plata, min of meer de voortuin van Argentinië, zijn ze vandaag met de politieke grote voorjaarsschoonmaak begonnen. Voor het eerst sinds het land in 1828 een onafhankelijke staat werd, wordt er een linkse President gekozen. Mede daardoor is het rustiger dan normaal in de stad waar zowat 15% van de Uruguayaanse bevolking woont. In Buenos Aires is dat niet meer dan het inwonertal van een van de grotere stadsdelen, naar Nederlandse verhoudingen vertaald is dat zo’n beetje het inwonertal van de stad Rotterdam. Om te gaan stemmen, kregen ze voor een schijntje kaartjes voor pont, bus en vliegtuig aangeboden. Het park tegenover ons appartement, min of meer onze voortuin dus, kleurt met het uur paarser. De warme zon zet de jacarandabomen in bloei, de stad begint er gaandeweg fleuriger uit te zien.

De Plazoleta Carlos Pellegrini blinkt uit door grijze saaiheid. Verscholen achter anonieme gevels huizen discrete banken voor vermogende Argentijnen en appartementen met een gemiddeld vloeroppervlak van ongeveer twee Nederlandse doorzonwoningen. Midden op het plein staat het prima in de omgeving passende monument voor Carlos Pellegrini, President van de Republiek tussen 1890 en 1892, oprichter van de Argentijnse Centrale Bank en, niet minder belangrijk, oprichter van de Jockey Club. De uit carrara marmer gehakte beeltenis van de president valt bijna in het niet bij de grote bronzen Argentijnse maagd die hoog boven hem uittorent. Het door een sponsor goed onderhouden grasveldje rond dit toch wel wat wanstaltige monument is voor de afwisseling niet saai grijs, maar saai groen. Zowaar fleurig in deze buurt.

Bodegas Chandon heet het Argentijnse filiaal van het champagnehuis Moët et Chandon. Die verkorte naam doet overigens niets af aan de kwaliteit van de champagnes en wijnen die ze aan de voet van de Andes, in de buurt van de stad Mendoza, maken. Daarentegen is de prijs heel wat schappelijker dan in Europa, terwijl de afdronk minstens zo aangenaam is. Met zo’n calvinistische slagzin als “geniet, maar drink met mate” moet je hier niet aankomen, genieten doe je met volle teugen of niet. In die geest heeft Chandon ervoor gezorgd dat het saaie parkje aan de voeten van Pellegrini is opgefleurd. Niet zomaar opgefleurd, er zijn zichtbaar bakken met geld tegen aan gesmeten. Die wijnboeren hebben goed door dat je anders bij de buurtbewoners direct door de mand valt en het verder wel kan schudden.

Aan de fine fleur van Argentijnse kunstenaars werd een flink uitvergroot metalen klavertjevier toegezonden, met het verzoek daar een mooie kunstbloem van te maken. Zou Chandon er een doos of wat van hun geestrijke vocht bij hebben gedaan voor de inspiratie? Aan Marta Minujin is zoiets niet besteed. Het is een publiek geheim dat de beeldhoudster, die in de zestiger jaren met Andy Warhol optrok, liever snuift. Eerder dit jaar werd ze op het internationale vliegveld van Buenos Aires betrapt met de nodige grammetjes cocaïne voor onderweg toen nota bene bij de paspoortcontrole een envelopje met het spul uit haar handtasje viel. Marta’s sculpturen tonen doorgezaagde lichamen, torso’s of koppen die na het zaagwerk op een slordig manier weer worden samen gevoegd. Ook op het platte vlak van de bloembaadjes is het haar gelukt dit handelsmerk kleurrijk op drie van de vier blaadjes af te beelden. Op het vierde blaadje staat voor hen die er misschien aan twijfelen dat het hier om kunst gaat “ARTE” geschreven.

Antonio Sequí, die volgens eigen zeggen met oneindige heimwee naar zijn geboortestad Córdoba in Parijs woont, heeft zijn bloem versierd met karikatuurachtige figuren van mannen en vrouwen. Een paars met geel viooltje, oh zoete herinnering aan mijn jeugd, is de bijdrage van Renata Schussheim. In het hart van de bloem zit een groepje mensen omhoog te kijken alsof er een vliegtuig of een luchtballon laag overvliegt. Zulema Maza heeft van haar klavertje een klavertje gemaakt, gewoon vier diepgroene blaadjes. Als verassing staan er koeien bovenop die het klaver eten. Mildred Burton heeft de klaverblaadjes zilvergrijs gelaten en in het hart van de bloem een soort mechanische bij geïnstalleerd. De kleurrijkste bloem is die Carolina Antoniadis. Op een achtergrond van pastelkleurige hartjes heeft ze er vier uit verschillende werelddelen afkomstige hoofden op geschilderd. Ook Jorge Demiján heeft op ieder van de vier blaadjes een hoofd geschilderd, maar dat zijn meer punkhoofden. Op de bloem van Ariel Mlynarzewicz staan slechts twee hoofden, van een man en een vrouw die, als je de bloem omdraait, elkaar verliefd aankijken. Maar dat ontdek ik thuis pas als ik de foto’s bekijk. Een parkje vol kunstbloemen in de ware zin van het woord.

Onderweg naar andere kunstbloemen, loop ik een paar straten verderop langs een afgezet kruispunt. Er is een filmploeg aan het werk, iets dat sinds een paar jaar heel gewoon is tijdens de weekeinden. Buenos Aires is na de devaluatie van de Peso zo goedkoop geworden, dat het de moeite loont om de halve wereld over te vliegen om hier reclamefilms of foto’s te maken. De tongval van het creatieve deel van de ploeg is plat Engels. Een jaren zestig scène uit de musical Hair, pure flowerpower. Een mooi zwart model moet haar handen in de lucht gooien op het moment dat haar mannelijke partner haar optilt. De ouderwetse gehaakte poncho doet niet mee en bedekt iedere keer haar halve gezicht. Het moet eindeloos worden over gedaan om er voor te zorgen dat er binnenkort nog meer Diesel spijkerbroeken worden verkocht. De schilderijen van Ernesto Morales vallen behoorlijk tegen. Fletse doeken, waarop bloemen over vage stadsplattegronden zijn geschilderd. Die bloemen vallen in het niet bij de kleurrijke exemplaren die door zijn collega’s in het parkje van Pellegrini zijn geplant. Om maar niet te spreken van de paarse pracht van de jacaranda’s die Buenos Aires in november zo mooi opfleuren. Daar kunnen zelfs de mooiste kunstbloemen niet tegenop.