SOMS HERINNERT ARGENTINIË MIJ AAN AFRIKA 13 - ALTAREN (24042004)

Argentinië lijkt beslist niet op Afrika, het tegendeel is eerder waar. De bevolking is bijna 100% blank en laat te pas en vooral te onpas weten van Europese afkomst te zijn, zelden kom ik op straat een donker gekleurde medemens tegen. De zon schijnt ook veel minder en als het regent, voelt het regenwater aan als een koude douche. Lang niet zo lekker als een lauwe tropische regenbui. Zeker, de corruptie schijnt groot te zijn, maar aan de andere kant is er een goede en functionerende infrastructuur. De Argentijnen laten zich er graag op voorstaan in het meest Europese land van Latijns Amerika te wonen en hebben er alles aan gedaan om Buenos Aires zoveel mogelijk op Parijs te laten lijken: brede boulevards en statige huizen. Ondanks dit alles gebeuren er regelmatig dingen die mij aan Afrika herinneren, zoals deze week.

In de Nigeriaanse stad Benin City maakte ik in 1992 kennis met het voorouderaltaar. Niet dat je als blanke zomaar even bij iemand thuis een kijkje kon gaan nemen, je moest goede kontakten hebben. Gelukkig had ik die en via, via mocht ik de altaren bekijken in het paleis van de Ogiamien, een vooraanstaande Chief van het Koninkrijk Benin. Het was fascinerend. Een van de zalen van het gebouw was één groot eerbetoon aan zijn voorouders, die stuk voor stuk aanwezig waren in de vorm van een “ukhurhe” of rammelstaf. Een rammelstaf is een eenvoudig houten gedecoreerde staf van ongeveer een meter lang. Op de is de beeltenis van een voorvader gesneden, vlak onder de kop is er een kleine holle ruimte gekerfd, waarin een stukje hout zit. Als men de ukhurhe schudt of op de grond stampt, rammelt het houtje. Zo wordt de geest gewekt van de voorouder die men wenst te raadplegen. Een paar jaar later kocht ik op de Ila?anmarkt even buiten Lagos van mijn vaste leverancier Diop zo’n staf. “Echt antiek” zoals alles echt antiek was dat je daar als Europeaan kocht. In Buenos Aires hangt deze rammelstaf aan de muur van onze zitkamer.

In 1996 mocht ik samen met een groep collega’s de huisaltaren van Chief Ize-Iyamu bewonderen. De Chief was degene die de traditionele genezers hun “ambtseed” afnam voor één van zijn huisaltaren. Hij stond aan het hoofd van alles dat heeft te maken met wat wij “black magic” noemen. Hij en zijn uitgebreide familie woonden in het eerste huis van de stad dat twee verdiepingen had, een belangrijk man. Met een introductie van een van zijn zonen, een bankier in Lagos, werden we hartelijk ontvangen en mochten alle huisaltaren zien en fotograferen. In de jaren erna zou ik er alleen nog een paar keer op bezoek gaan. Als aandenken gaf de Chief mij een uit hout gesneden kop van een Oba, de titel van de Koning van Benin. Ook die staat in onze zitkamer in Buenos Aires. Naast het onvermijdelijke voorouderaltaar, zagen we een te gek altaar dat bestond uit auto onderdelen: wieldoppen, schokbrekers, velgen, een knalpot. Prachtig besneden houten handaltaren in een andere ruimte en tenslotte een uitgebreid magnifiek terracotta altaar gewijd aan Olokun, de God van het Water. Overal stonden drums, lagen offerandes en stonden de stompen van de kaarsen die er kort geleden nog waren gebrand. Al deze beelden kwamen deze week terug in mijn herinnering in het Culturele Centrum van Recoleta in Buenos Aires waar ik op zoek was naar de litho’s van de Argentijnse kunstenares Lucrecia Orloff.

In dit Culturele Centrum zijn meestal minstens tussen de tien en vijftien verschillende exposities aan de gang. Van alles en nog wat, maar altijd wel een paar interessante kunstenaars. Zo stond ik precies een jaar geleden onverwacht naar een installatie van Diana Chorne te kijken, die mij meteen sterk deed denken aan de voorouderaltaren in Benin City. Het was er gewoonweg een moderne versie van, in mijn ogen althans. Rondom een centrale figuur, tegen een felrode achtergrond, stonden daar porseleinen hoofdjes, formaat poppenkopje, op geverfde of met verschillende materialen beklede stokken. De hoofden van de voorouders, een hedendaagse versie van de rammelstaf! Keer op keer ging ik terug en keer op keer raakte ik er meer van overtuigd dat de kunstenares zich eerder onbewust dan bewust door de voorouderaltaren van de stad Benin had laten inspireren.

Deze week was het opnieuw raak. Op zoek naar het werk van Lucrecia Orloff, passeerde ik een zaal ingericht door Sergio Gravier. Installaties onder de noemer “Perlos a los Santos - Paarlen voor de heiligen.” Het zijn vijf kleurrijke altaren die zijn geïnspireerd door het volksgeloof in de noordelijke Argentijnse provincie Salta. Altaren gewijd aan “El Gauchito Gil - de Cowboy Gil”, San Antonio, de Maagd van de Valei en “la difunta Correa - de gestorven Corres.” Op de vloer ligt een hoop tuinaarde met in het midden een kuiltje met rode pepers, er achter een paar lege drankflessen en ervoor een poppetje dat een fetisj zou kunnen zijn. Hoe vaak heb ik iets soortgelijks niet lang de straat in Benin gezien? Het altaar van Cowboy Gil is omringd door alles wat je van een goed altaar mag verwachten: bankbiljetten, brieven met verzoeken om hulp, sleutels, blote poppetjes, parfum, bloemen. Het altaar voor “de helaas overleden Correa” verbeeld de historie van een vrouw uit de provincie La Rioja, die in 1835 dood werd aangetroffen met haar nog levende baby aan de borst. Haar graf is een bedevaartsoord geworden. Een opgebaarde moeder met een kind in haar armen omringd door allerlei soorten flessen: zuigflessen, waterflessen, vergulde colaflessen, drankflessen, fopspenen, babypoppen en speelkaarten. Of ik het wil of niet, ik ben opeens terug in West-Afrika, in Benin City, bij de altaren in het huis van Chief Ize-Iyamu en de Ogiamien. Wat een expositie in Buenos Aires al niet voor herinneringen aan Afrika kan oproepen.