|
¡MUY BUENOS AIRES! (13102004) Op de tribune van de voetbalclub Boca Juniors is “puta - hoer” in iedere denkbare samenstelling en vervoeging veruit het meest gebruikte woord. “Hijo de la puta, puta of puta madre.” Geen wonder dat “putear” hier het werkwoord voor vloeken is. Dat is “¡muy Buenos Aires! -.heel erg Buenos Aires.” Wat ook heel erg Buenos Aires is, is het optreden van een groep schaars geklede, doch goed ogende danseressen voor het begin van de wedstrijd en tijdens de rust. Om de supporters op te warmen wellicht? ’t Is een bizar gezicht en wat moeten die meiden het verschrikkelijk koud hebben. De overwegend mannelijke toeschouwers zitten daar niet mee, hoe bloter hoe beter. De stadionspeaker grijpt bijna iedere blessurebehandeling aan om snel een reclameboodschap van hoofdsponsor Pepsi om te roepen. De brancardwagen, gesponsord door een ziektekostenverzekeraar, rijdt af en aan. Zouden die geblesseerde spelers echt pijn hebben of doen ze alsof op verzoek van de sponsors? ¡Muy Buenos Aires! vind ik het. Als de thuisploeg de achterstand tegen nummer bijna onderaan van de ranglijst met veel moeite heeft omgebogen in een voorsprong, wordt het tijd om aartsvijand River Plate massaal te vervloeken. Luidkeels smeken de supporters dat “de hoer van la Plata” zo snel mogelijk in de rivier zal verzuipen. ¡Muy Buenos Aires! en veel leuker dan “kankerjoden” of “hi, ha, hondenlul” in de Kuip vindt onze Rotterdamse logee. Uiteraard begint de voorstelling “América Negra - Zwart Amerika“ ietwat te laat. Ook dat is “¡muy Buenos Aires!” Het gebeurt nog wel in het weekeinde dat vrijwel overal op het Amerikaanse continent de “ontdekking” van het werelddeel door Columbus wordt herdacht. Het gezelschap “Yupana” uit de voorstad Hürlingham wil de belangstellende toeschouwers met zang en dans laten zien wat de invloed van die miljoenen onvrijwillige Afrikaanse immigranten op de Amerikaanse cultuur is geweest. Zelden op tijd komen en niet op tijd beginnen hoort daar zeker bij, maar ik ben er haast zeker van dat ik de enige in de zaal ben die dit verband legt. Wat nog veel erger Buenos Aires is, is dat er op´het toneel, noch in de zaal ook maar iemand met Afrikaans bloed is te bekennen. De vage hoop dat mijn nu al drie jaar durende speurtocht naar Afrikaanse sporen in Argentinië vandaag wat zou gaan opleveren, wordt al voordat de show op gang komt opnieuw de grond in geboord. In de straten van Pelerinho, het historische stadsdeel van Salvador de Bahia in het noordoosten van Brazilië, kwamen we eens een op zijn paasbest geklede Afro-Braziliaan tegen. Voor zijn gevoel liep hij er behoorlijk authentiek Afrikaans bij, maar toch knaagde de twijfel. We raakten in gesprek en zo kwam hij er achter dat mijn geliefde uit Nigeria kwam, een “echte” Afrikaanse derhalve en niet zo eentje wiens Afrikaanse bloed in de diaspora was verdund, zoals bij hem het geval was. “Wat denk je, zie ik er een beetje Afrikaans uit?” kon hij niet nalaten te vragen. Mijn geliefde voelde direct aan dat hier een leugentje om bestwil noodzakelijk was en bevestigde het hem spontaan. Hij straalde. De dagen erna zouden we hem nog een paar keer tegenkomen en werden iedere keer als oude vrienden begroet. Als die roomwitte Argentijnen van tevoren dezelfde vraag hadden gesteld, hadden ze vandaag niet op het toneel gestaan. Wat heeft modern ballet in vredesnaam met Afrikaanse cultuur te maken en weet nou echt niemand dat Amerikaanse negro spirituals niets met Afrikaanse traditionele godsdiensten hebben te maken? Heel erg verschrikkelijk Buenos Aires! Twee dagen later sta ik ruim een half uur buiten het restaurant op Nigeriaanse kennissen te wachten. Je weet nooit zeker of ze komen tot ze er zijn. Ze stappen breed lachend uit hun auto “Je hebt zo lang in Afrika gewoond, je moest toch weten dat we iets te laat zouden zijn. Oyingbo - bleekscheet” wordt er als plaagstootje aan toegevoegd. Als een boer met kiespijn krijg ik met moeite een even plagerig bedoeld “dudu - roetmop” over mijn lippen. Wat te laat komen betreft hebben zij zich nooit hoeven aan te pássen en waren vanaf de eerste dag meteen ¡muy Buenos Aires! ´s Avonds om half negen zitten er maar weinig mensen in het immens grote restaurant. Als we tegen elven weggaan, zit het stampvol op deze doordeweekse avond. Laat eten is héééél erg Buenos Aires. In de stad bereikt het ochtendspitsuur haar hoogtepunt dan ook pas tegen tienen, uiteraard omdat iedereen die laat aan tafel gaat de volgende morgen pas laat zijn bed uitkomt. Het restaurant heeft een klein podium waarop een toetsenman een tangozanger begeleidt. Niets om over naar huis te schrijven totdat een van de gasten de microfoon overneemt, hij heeft een veel mooiere stem. Je ziet het gezicht van degene die hier zijn brood bij elkaar probeert te zingen met de minuut verder afzakken tot de stand “buitengewoon chagrijnig” is bereikt. De disgenoten eisen “otra, otra, - bis, bis” en zeiken de beroeps nog een beetje verder af. Heerlijk toch? Heel erg aangenaam Buenos Aires. Ana is mijn enige echte Argentijnse collega. Haar voorouders woonden hier al eeuwen voordat de eerste Europeanen op het toneel verschenen. Ze stuurt me een persbericht door waarin wordt gemeld dat de Spaanse consul in de stad Córdoba heeft verklaard dat de “conquista”, de verovering door de Spanjaarden, een zegen voor het Amerikaanse continent is geweest. Hij is er van overtuigd dat “de oorspronkelijke bewoners er zeker een zooitje van zouden hebben gemaakt.” Duizenden jaren beschaving van Maya’s, Inca’s en Azteken worden arrogant naar de vuilnisbelt verwezen. Ana is terecht zwaar beledigd. Haar collega’s, de nazaten van naar Argentinië geëmigreerde ouders en grootouders, interesseert het allemaal geen bal. Zeer tot mijn spijt is ook dat ¡muy Buenos Aires! |