|
DAGBOEK LISSABON - 2 (10092004) Zondag, 5 september 2004. Na de afgelopen dagen naar de rivier toe of naar het westen of oosten van Lissabon te zijn gewandeld, loop ik vandaag van de rivier af in de richting van de Praça Marqués de Pombal. De Markies heeft vanaf zijn hoge voetstuk een mooi uitzicht over de benedenstad die onder zijn leiding werd herbouwd na de aardbeving en de vloedgolf van 1755. De rechte straten die worden onderbroken door flinke pleinen, hebben de huidige inwoners van Lissabon aan hem te danken. Vanaf de Markies klimt de weg stug verder omhoog door het eveneens zeer strak aangelegde Edouardo de Zevendepark. Behoorlijk vals plat, dat is goed te voelen in de onderbenen. Aan de kop van het park staat een oerlelijke fontein die uit imitatie resten van Fenicische of Griekse zuilen is opgebouwd. Een verwijzing naar de oudste bewoners van de stad die 1200 jaar voor onze jaartelling zou zijn gesticht? Wat verderop staat naast het Paleis van Justitie een kasteelachtig gebouw dat, hoe kan het ook anders, een gevangenis is. Het is even voor elven, het bezoekuur begint zo dadelijk. Veel vrouwen met kinderen en flinke boodschappentassen bij zich, staan te wachten tot ze naar binnen mogen. Om de gevangenis heen loop ik door een uitgestorven onpersoonlijke nieuwbouwwijk, zoals je die waar ook ter wereld vindt, naar de Praça de Espanha en de Avenida Berna, naar het museum. “Ik ben me ervan bewust dat het tijd wordt om een beslissing te nemen over de toekomst van mijn kunstwerken. Zonder te overdrijven kan ik zeggen dat ik ze als mijn kinderen beschouw en dat hun welzijn een van mijn belangrijkste zorgen is. Ze vertegenwoordigen vijftig of zestig jaar van mijn leven. gedurende welke tijd ik ze heb verzameld. Het kostte soms veel moeite, maar ik heb iedere keer opnieuw slechts rekening gehouden met mijn eigen smaak. Net zoals andere verzamelaars, zocht ik af en toe advies, maar ik voel dat ze me met hart en ziel toebehoren.” Deze woorden van de Armeense miljardair Calouste Gulnenkian (1869 - 1955) staan op een van de muren van de grote hall van het naar hem vernoemde museum waarin de kunstcollectie die hij tijdens zijn leven bijeenbracht is gehuisvest. In de tuin van het in 1969 geopende museum, zit Gulbenkian wat stijfjes maar tevreden, in de schaduw van een flink uitvergrote Egyptische hiëroglief. Op die manier houdt hij als het ware een oogje in het zeil om er zeker van te zijn dat er goed voor zijn kinderen wordt gezorgd. Vandaag is de laatste dag dat een speciale expositie over Portugees India is te zien. Niet groot, maar erg boeiend. De Portugezen waren meer geïnteresseerd in het vestigen van handelsposten, dan in het veroveren van grote gebieden. Toen de Mongolen aan het begin van de 16e eeuw het noordwesten van India binnen vielen, stuurden de Portugezen aan op goede betrekkingen om de handel veilig te stellen. Dat lukte bijzonder goed want na Macau was Goa zo’n beetje de laatste kolonie die tijdens de abrupte dekolonisatie van de jaren 1970 werd opgegeven. Buiten de juwelen en documenten, trekt een portrettengalerij van gouverneurs mijn aandacht. Heren die er krijgshaftig en voornaam uitzien, geportretteerd door de portretfotografen van de 17e eeuw die toen nog met olieverf en penseel werkten. Op het portret van António Pais de Sande heeft de portrettist in de linker benedenhoek “een certificaat van echtheid” geschreven:”Dit is het echte portret van…….…” begint de tekst, waarna een opsomming volgt van de loopbaan van de gouverneur. Een geschilderd curriculum of een in memoriam? Zijn staat van dienst, in welke oorlogen hij vocht, aan welke ontdekkingsreizen hij heeft deel genomen, dat hij raadgever van de kroon was, hoeveel belasting hij inde en hoeveel geld er in de Indiase schatkist zat aan het einde van zijn bewind en als laatste woorden zijn sterfdag, 22 februari 1695. De vaste collectie van het museum wordt chronologisch geëxposeerd. In de eerste zaal Egyptische kunst, in de laatste vroeg impressionistische schilderijen en als slotakkoord een aparte kluis met juwelen van René Lalique. Een beetje van alles, veel topstukken. Egypte, de verzameling Griekse en Romeinse munten en Mesopotamië heb ik in minder dan tien minuten bekeken. In de volgende zaal, die met islamitische kunst, staan prachtige stukken uit het Midden-Oosten. Wat een verschil met het Museum voor Islamitische Kunst in Kuala Lumpur, waar ik precies een maand geleden was. Mooi gevormd en gedecoreerd glaswerk. Unieke moskeelampen uit de 14e eeuw, ooit gebuikt in Damascus of Caïro. De modern aandoende ontwerpen zijn sierlijk beschreven met koranteksten tegen een achtergrond van rood met gouden bloemmotieven. Ze zien er stuk voor stuk uit alsof ze pas gisteren zijn gemaakt. Uit Perzië zo te zien erg breekbare porseleinen schalen en kannetjes. Fleurig Ottomaans aardewerk, vazen gedecoreerd met afbeeldingen van tulpen voordat die het nationale symbool van de lage landen werden. Kleurrijke tegeltableaus en tapijten. Ernaast de zaal met Chinees aardewerk uit het begin van de 18e eeuw, daarna Europese schilderkunst. Het paneel “Rustpauze tijdens de vlucht uit Egypte” uit ongeveer 1500, ziet eruit buitengewoon fris uit. Eerder 50 jaar oud dan 500, de compositie verraadt de leeftijd. Om de hoek denk ik oog en oog te staan met Elisabeth Bas, een gezicht dat zo lang en misschien nog wel het beeldmerk van een sigarenmaker was. Het is echter het portret dat Frans Hals in ongeveer 1626 van Sara Hessix maakte. Ze heeft als buren twee doeken van Rembrandt, werken van Rubens en van Dyck. Voordat de vroege impressionisten aan de beurt zijn, een zaal vol meubels uit de tijd van Louis Quinze en Louis Seize, voor meubeltoonzalen heb ik altijd weinig belangstelling gehad. In de Lalique zaal zijn unieke sierraden te zien, waar vooral Amerikanen bewonderende belangstelling voor hebben Prachtige haarspelden bekroond met een sierlijke libel of de gouden kop van een kraaiende haan. Het museumgebouw ligt in een niet al te groot, maar lommerrijk en druk bezocht stadspark waarin hier en daar grote moderne beelden staan en waarin een amfitheater is gebouwd. Het podium is leeg, de banken worden gebruikt door verliefde stelletjes. Aan de noordkant van het park heeft de moderne kunst van de Gulbenkian Stichting onderdak gevonden in het “Centro de Arte Moderna José de Azeredo Perdigão.” Dit museum is vernoemd naar de advocaat die Gulbenkian´s nalatenschap afwikkelde en vorm en inhoud gaf aan de door hem gewenste besteding van zijn gigantische met oliecommissies vergaarde vermogen. Gulbenkian stond algemeen bekend als “Mr. Five Percent.” De schatrijke stichting financiert niet alleen deze twee museums, maar organiseert jaar in jaar uit een uitgebreid cultureel programma met onder andere klassieke en moderne muziek en ballet. De Gulbenkian Stichting heeft vestigingen in Parijs en Londen en is buitengewoon actief als het om het financiering van velerlei culturele activiteiten gaat. Modern mecenaat van de bovenste plank. In het in 1983 geopende Centrum voor Moderne Kunst is kunst vanaf ongeveer het begin van de 20ste eeuw te zien, het is qua collectie de voortzetting in de tijd van het Museum aan de andere kant. Net zo gevarieerd, dat wel, maar kwalitatief een stuk minder. Het zou wat oneerbiedig zijn om het een bij elkaar geraapt zooitje te noemen, maar de gedachte komt af en toe wel bij me op. Een kleine expositie van schilderijen die door Jorge de Brito aan het Centrum werden geschonken, toont ondermeer doeken met een caféscène en een strandscène van José Almada Negreiros. Verstilde beelden van het elegante leven van weleer in het Lissabon van de jaren 1920. Wat ook aardig is, zijn de zes of zeven cabines waar als aanvulling op hun werk dat aan de muren hangt, korte door de kunstenaars gemaakte films of video’s kunnen worden bekeken. Het haast onvermijdelijk gebeurt, zelfs in Lissabon loop ik tegen Che Guevara op. De kunstenares Ana Hatherly heeft een beroemde foto van Che verwerkt in de collage “As ruas de Lisboa - de straten van Lissabon” uit 1977. Het lijkt sprekend op de scheurkunst van de Fransman Jacques Villeglé die ik een jaar of twee geleden in Buenos Aires zag. In de bijbehorende film “Revolução - Revolutie” zijn meer dan een kwartier lang vluchtige beelden te zien van spandoeken, graffiti, affiches, muurschilderingen en de grote demonstraties die tot de val van rechtse dictator Salazar zouden leiden. Op de geluidsband is vooral gespierde linkse tot uiterst linkse revolutionaire taal te horen, die is gericht tegen het ultra rechtse bewind. Het ene uiterste tegen het andere uiterste, zo ging het destijds. In de kelder hangt nieuw werk van Gil Heitor Cortesão, die met dertien doeken een beeld geeft van de door hen gecreëerde imaginaire stad Mnémopolis. Glimmend acryl, veel kleurige ballen die uit de ballenbak van Ikea zouden kunnen zijn gejat, windmolens, grote hotels, bouwkranen. Het werk hangt terecht uit de looproute in de kelder. Die looproute wordt trouwens geblokkeerd door een lange rij wachtenden voor het zondagse lunchbuffet in het restaurant, dat de populairste afdeling van het Museum lijkt te zijn, in de zalen was vrijwel niemand te zien. Zelf lunch ik in het oude museum en bekijk de Goa tentoonstelling nog een keer. Een aquarel van een Portugese gezien door oriëntaalse ogen, het doet sterk denken aan de uit het hedendaagse Nigeria afkomstige Benin bronzen paleisplaten met Portugese soldaten erop, zoals die werden gezien met Afrikaanse ogen. De maquette van het Portugese fort ziet er bij nadere beschouwing opeens heel erg uit als het Nederlandse fort in Malakka. Zou het dan toch geen kopie van het stadhuis van Hoorn zijn, maar gewoon het op de Portugezen veroverde fort waarop nu het woord “Stadthuys” staat? Na bijna de hele dag door de nalatenschap van Gulbenkian te hebben rond gelopen, wandel ik terug naar de lelijke fontein vanwaar je een mooi uitzicht tot aan de rivier hebt. Aan de linkerkant van het Edouardo de Zevendepark steekt het dak van een gebouw met een klassieke gevel boven de boomtoppen uit. Het is het op deze plaats herbouwde Portugese paviljoen dat tijdens de viering van de honderdste verjaardag van de Braziliaanse onafhankelijkheid in Rio de Janeiro werd gebouwd. Het werd een jaar of tien gebruikt voor industriële exposities voordat het in 1946 werd omgebouwd voor de wereldkampioenschappen rolschaatshockey, een mij totaal onbekende sport. Dat het vervallen gebouw nog steeds overeind staat, mag als een klein wonder worden beschouwd. Volgens een toelichting in een vitrine, hebben de autoriteiten een aantal malen op het punt gestaan het Paviljoen te slopen, voordat men besefte dat er hier sprake was van cultureel erfgoed dat beschermd moest worden. Dat zou vooral te danken zijn aan de door Raúl Xavier ontworpen beelden en imposante blauwwitte tegeltableaus met afbeeldingen van historische veld- en zeeslagen aan de buitengevel. In het gebouw zou er nog veel meer te zien zijn dat de moeite waard is, maar het gebouw ligt er verlaten bij en zit stevig op slot. Op de achterkant van een stadsplattegrond die ik bij de VVV oppikte, wordt het park dat ik doorkruis als een populaire ontmoetingsplaats voor homo’s aanbevolen. “Alle toeristen zijn welkom in Lissabon, of je nu homo of lesbo bent of niet! Zoals in alle andere steden zijn de parken de favoriete ontmoetingsplekken voor homo’s.” Laat op deze zondagmiddag zie ik er slechts dakloze zwervers van alle leeftijden en geslachten die er niet bepaald uitzien alsof ze op zoek zijn naar homoseksueel kontact. Ondanks dat ik, noch lesbo ben, voel ik me best welkom in de Portugese hoofdstad en besluit de dag in een ander soort ontmoetingsplaats, een buurtcafé met de afmetingen van een flinke huismaker. Daar kijk ik met de andere bezoekers naar het voetballen op de televisie en heb daar mijn eigen soort ontmoeting met gelijkgestemde zielen. Wordt vervolgd. |