|
DAGBOEK LISSABON - 1 (06092004) In 1455 gaf Paus Nicolaas de Vijfde Portugal het alleenrecht om in Afrika ten zuiden van de denkbeeldige lijn die tussen de Canarische Eilanden en de zuidkant van Egypte kan worden getrokken, handel te drijven, gebouwen op te richten en de ongelovigen te kerstenen. Een pauselijke vrijbrief om te koloniseren, zo ging dat in de middeleeuwen. Onder leiding van Prins Hendrik de Zeevaarder hadden de Portugezen de zaken al jaren eerder groots aangepakt, de Pauselijke bul bood officiële bescherming tegen de concurrentie. In 1543 bereikten de Portugezen als eerste Europeanen Japan, na zo’n beetje alles dat er tussen Lissabon en Japan lag te hebben “ontdekt” en in kaart te hebben gebracht. De sporen van die Portugese ontdekkingdrift hebben wij tijdens de jaren die we in Rio de Janeiro woonden kunnen bewonderen. Soortgelijke sporen, meestal een stuk minder fraai, zijn te vinden in veel andere steden en landen die voor kortere of langere tijd een Portugese kolonie waren en dat waren er heel wat. Ik ben ze tegen gekomen in het Verre Oosten, Zuid Amerika en West Afrika, maar in Portugal zelf ben ik nog nooit geweest. Het werd de hoogste tijd om dit verzuim goed maken Vrijdag, 3 september 2004. Tegenwoordig schijnt het nogal speciaal te zijn om in Lissabon in een hotel een haardroger te hebben. In meerdere reisgidsen wordt bij de hotelbeschrijving “föhn verkrijgbaar bij de receptie” vermeld. Op de website van Residencial Dom Sancho I wordt vol trots “Nieuw - haardroger op iedere kamer!” aangekondigd. Het heeft nauwelijks invloed op de hotelkeuze, de zo te zien gunstige ligging en “Internet voor onze gasten” geven wat mij betreft de doorslag. Door alleen met handbagage te reizen, verlengt men zijn vakantie. Een half uur nadat het vliegtuig is geland, meld ik me bij de receptie van het Dom Sancho. Gauw omkleden en aan de stad gaan ruiken. Vanaf het hotel, dat aan de brede Avenida da Liberdade ligt, zou je door steeds maar rechtdoor naar beneden te lopen vanzelf bij de rivier de Taag moeten uitkomen. Net onderweg word ik echter al afgeleid door de hoog boven de huizen uitstekende “Elevador de Santa Justa” die een in Nederland onbekende en tevens overbodige vorm van openbaar vervoer aanbiedt. Het is een lift die passagiers van de Baixa, de benedenstad, naar de hoger gelegen Bairro Alto tilt. Het vermoeiende alternatief is de steile straatjes of vele trappen op te klimmen. Het omhulsel van de in 1902 in gebruik genomen lift bestaat uit een grijze metalen constructie, à la een Baileybrug, met de uitstraling van een kathedrale kerk doordat de ruimtes tussen de dwarsbalken zijn opgevuld met gietijzeren decoraties die op hoge kerkramen lijken. De loopbrug naar de bovenstad is tijdelijk buiten gebruik, hetgeen de functie van de liftkoker reduceert tot die van uitkijktoren. Vanaf de allerhoogste verdieping is er een mooi uitzicht over Lissabon en vanaf die hoogte is goed te zien dat het een overzichtelijke stad is. Het stratenplan van de benedenstad bestaat uit kaarsrechte straten en grote pleinen, meer landinwaarts brede boulevards en parken, aan de overkant het Kasteel van São Jorge en aan het eind van de straat de rivier.
De uit de 15e eeuw daterende Toren van Belém was een onderdeel van de verdedigingswerken van Lissabon. Dat is moeilijk voor te stellen als je er in de 21ste eeuw naar kijkt. Met op de achtergrond de enorme brug over de Taag ligt het oude fort wat lullig aan de waterkant en zinkt bijna in het niet bij de moderne omgeving. Ook qua bezienswaardigheid stelt het niet al te veel voor. Binnen is het leeg, er is niets maar dan ook totaal niets te zien. Het interessantste deel is de façade aan de rivierzijde die een mooi gedecoreerd natuurstenen balkon heeft en de binnenplaats waarop een beeld van Nossa Senora de Bom Sucesso staat. Hoewel enigszins geërodeerd, ziet het er beslist niet uit als 500 jaar oud. Vanaf de zesde en hoogste verdieping van de Torre is het moderne “Padrão” monument, dat voor de ontdekkingsreizigers werd opgericht, goed te zien en daarmee houdt het op. Weer terug in het centrum wandel ik door achteraf straatjes in een poging om het toeristische Lissabon zoveel mogelijk te mijden. De stad is veel minder gekleurd dan ik had verwacht. Waar zijn al die mensen die uit de voormalige Afrikaanse kolonies afkomstig zijn? Uit Mozambique, uit Angola, uit Guinee Bissau, uit São Tomé en Principe? Of is er hier tijdens en na de dekolonisatie soms geen enorme migrantenstroom op gang gekomen? Het enige dat aan Afrika herinnert, is graffiti op een blinde muur vlakbij het hotel “espiritos matavan +/- 200 pessoas noite - (kwade) geesten doodden ongeveer 200 mensen per nacht” en een reportage op de televisie over geneeskrachtige kruiden uit Angola die ervoor zouden zorgen dat Afrikaanse vrouwen een jeugdig uiterlijk houden. Zaterdag, 4 september 2004. Het begint te regenen en even later stortregent het. Voordat ik het in de gaten heb, ben ik al zeiknat. De riolering is niet op dergelijke buien berekend, het regenwater kan niet weg. Er vormen zich enorme plassen. Automobilisten hebben er kennelijk plezier in om de voetgangers met opspattend water in te wrijven dat ze hier niet meetellen. De buschauffeur toont meer compassie en komt stapvoets bij de bushalte aan. Mijn eerste reisdoel is het ”Museu Nacional do Azulejo - het Nationale Tegeltjesmuseum” en daarna de “Igreja de Madre de Deus - de kerk van de Moeder Gods.” Als de bus vlak bij het museum is, waarschuwen medepassagiers me om uit te stappen. Zij hebben ongetwijfeld ervaring met toeristen op deze route. Uit de reisgids was het mij niet duidelijk dat beide in één en hetzelfde gebouw waren gevestigd. Wel zo makkelijk dat dit zo is. Vooral in Brazilië heb ik prachtige blauwwitte tegeltableaus gezien, uit de koloniale tijd en van daarna. In kerken en in woonhuizen, buiten en binnen. Hele binnenplaatsen, woonkamers en geveldecoraties. Portugal is de bakermat van al dat moois, want mooi is het. Het museum is in een voormalig klooster gevestigd met gangen en trappenhuizen vol met tegeltableaus. Uiteraard zijn met name de religieuze afbeeldingen goed vertegenwoordigd, maar er is ook een prachtig tableau waarop het centrum van Lissabon van voor de grote aardbeving van 1755 staat afgebeeld. Toen werd vrijwel de gehele benedenstad verwoest. Vanuit de op een hogere verdieping gelegen kloosterkapel kijk je de kerk in. Er is een trouwerij aan de gang. De kapel lijkt vaaglijk op een van de prachtige barokkerken waarmee de Braziliaanse deelstaat Minas Gerais zo rijk is bedeeld en op die in Salvador de Bahia. Een mooi met bijbelse voorstellingen beschilderd houten plafond, dat wel, maar voor de rest is het allemaal net ietsje minder. Jammer genoeg ontbreken in het oude moederland het overdadige bladgoud en de engelenkopjes van de geniale beeldhouwer Alejadinho. Na het museum wil ik de kerk gaan bekijken, de trouwerij duurt maar door, de Kerk van de Moeder van God is daardoor niet voor nieuwsgierigen toegankelijk. In de verte staat zo te zien een gebouw dat de moeite waard is, maar dat van dichtbij geen moer voorstelt. Tijd voor de lunch in “O Retornado” een supereenvoudig maar charmant wijkrestaurantje. Ik wil een typische Portugese schotel eten, de eigenaar suggereert “dobrada con feijão branco.” Feijã branco - witte bonen” ken ik, van “dobrada” heb ik nog nooit gehoord “ingewanden, maar heel erg lekker.” Ik houd het voor de zekerheid op vis “Bacalhau - stokvis“ en vinho verde - groene wijn van de tap! Vertrouwd en alleszins de moeite waard. Na de lunch zijn de deuren van de kerk op slot, de zon schijnt weer, tijd om terug te gaan naar het centrum van de stad. De kerk van São Domingos, vlakbij de Praça Rossio, ziet er van buiten streng en van binnen aftands uit. De muren zijn kaal, de fresco’s en de plamuur zijn verdwenen, hier en daar staat een wat verloren heiligenbeeld. Soberheid troef, bijna Calvinistisch, alleen het dak ziet er nieuw uit. Om de hoek zit volgens de reclame het best bewaarde geheim van Lissabon “a Ginjinha” een minibar van niet meer dan 15 vierkante meter waar aan de lopende band kleine plastic bekertjes met deze speciale Portugese likeur op basis van cognac en kersen worden geschonken. De ouderwetse partydrank kersen op sap in een verbeterde alcoholische versie? Vlakbij is er nog zo’n bar de “Ginjinha Rubi” waar er, als ik op het punt sta wat foto’s van de voorgevel te schieten, een boze Afro-portugees naar buiten komt om mij te verbieden foto’s te maken. Ruzie maken in het Portugees lukt zowaar nog! We scheiden uiteindelijk als vrienden en ik maak de foto’s die ik wilde maken. Bij de andere bar lopen de klanten van alle leeftijden nog steeds af een aan. Sommigen kopen een hele fles en gaan die lekker op een bankje in de zon zitten drinken. Zelf vind ik er niet al te veel aan. Zou dat komen door de herinnering aan de verboden kersen op brandewijn die in het geheugen van mijn papillen als heel wat smakelijker staat gegrift? Aan de overkant van het plein neem ik de elevador van Gloría om naar de Bairro Alto te gaan. Naast de echte lift bestaan er een aantal trammetjes die ook “elevador” of “ascensor” worden genoemd. Die beklimmen de steile straatjes zoals de funiculaire in Parijs die de bezoekers van de Place du Tertre naar de Sacré-Coeur brengen. Zonder uitzondering heb je bij het eindpunt een klein parkje met een mooi uitzicht over de stad. Daar sta ik dan op de miradouro van Sào Pedro met aan de overkant op dezelfde hoogte het fort van São Jorge dat waarschijnlijk voor onze jaartelling al werd gesticht door de Feniciërs. Ik loop naar beneden en neem daar een trammetje om de heuvel aan de overkant op te klimmen. Het fort ligt boven de oude wijk Alfama, het is een enorm en druk bezocht complex met een formidabel uitzicht tot aan de mond van de Taag. Strategisch gebouwd dus. Op een bankje zit een oudere vrouw een fado te zingen, ze wordt door iedereen genegeerd. Behalve muren, torens, kantelen is er weinig tot niets te beleven. Net als gisteren in de Toren van Belém loop ik door een lege huls. Op de terugweg naar het hotel stap ik in de “Ascensor do Lavra”, maak het ritje naar boven, loop een rondje door een volstrekt verlaten buurt en tref vervolgens de bestuurder weer. Hij zit een boek te lezen totdat het tijd is om weer af te zakken. De “lift” bestaat uit twee trammetjes die ieder kwartier het steile heuveltje opkimmen of afdalen, wachten tot het tijd is en dan weer opnieuw naar boven of beneden. De hele dag door en iedere dag weer. “Is het geen saai werk?” vraag ik. Hij doet het werk al jaren en is er nog steeds niet op uit gekeken. “De veerman” van Drs. P schiet door mijn hoofd en gaat er die dag niet meer uit “op en neer, op en neer, op en neer, op een neer.” Wordt vervolgd. |