DAGBOEK KUALA LUMPUR - 3 (20082004)

Woensdag, 11 augustus 2004.In de tickethal van het busstation Puduraya kan je goed zien wat de gevolgen zijn van prijsconcurrentie in het openbaar vervoer. Meerdere aanbieders op dezelfde route houdt de prijzen lekker laag. Een enkele reis van Kuala Lumpur naar Malakka met een bus, die qua comfort niet onderdoet voor een Nederlandse stadsbus, kost minder dan €2. Vertrek stipt op tijd, aankomst stipt op tijd! Lange rijen balies die er vrijwel hetzelfde uitzien. Schreeuwerig rood voert de boventoon, uit de loketopeningen zwaaien handen om klanten te lokken. De bus van negen uur zit al vol, de volgende vertrekt over een half uur van perron 12. Dertig minuten de tijd om wat rond te kijken. Er wordt van alles verkocht dat, afhankelijk van de reistijd, voor een reiziger van nut kan zijn. De rit naar Malakka duurt twee uur, die naar Penang of Singapore zes. Naast de wachtruimte ligt een enorme refter met langs de wanden ontelbare minirestaurantjes, op het “centrale plein” staan tafeltjes en stoeltjes. Het ziet er supereenvoudig en niet bijster hygiënisch uit en zou in menig ander land al lang door de Keuringsdienst van Waren zijn gesloten. De samballucht die er hangt is zo scherp, dat de tranen in mijn ogen schieten. Tegenover de terminal veel kleine hotels, waarvan sommige de reiziger gespecialiseerde diensten als een “luggage keeping service” of “bathing service” aanbieden.

De bus vertrekt precies om half tien. Vanuit midden in de stad naar de snelweg stelt niet al te veel voor. Tunnels en viaducten zorgen ervoor dat het stadsverkeer zoveel mogelijk kan worden gemeden. Na bijna 50 jaar onafhankelijkheid is buiten KL de koloniale ingreep in het Maleisische landschap nog altijd goed zichtbaar. Kilometers lang wordt de snelweg omzoomd door rubberplantages en oliepalmplantages. Zowel de rubberboom als de oliepalm kwamen oorspronkelijk niet in Maleisië voor, maar werden door de Engelsen geïmporteerd. Zaden voor de rubberboom werden Brazilië uit gesmokkeld en de oliepalm werd uit West Afrika overgeplant, dat was tegen het einde van de 19e eeuw. Lange tijd zou de economie voor bijna 100% van rubber en palmolie afhankelijk zijn. Goedkope arbeidskracht was een belangrijk argument voor de Britten bij de aanleg van hun plantages. Hetzelfde argument doet nog steeds opgeld bij de beslissing om in Maleisië te investeren. Dat is te zien aan de “plantages van de 21ste eeuw” de kantoorgebouwen en fabrieken op de vele industrieterreinen.

Na een rit van precies twee uur arriveert de bus bij de splinternieuwe busterminal aan de buitenkant van Malakka. In het heerlijk koele gebouw zijn er in de gangetjes naar de wc’s ook deuren naar gebedsruimtes. En net als bij de toiletten het geval is, zijn er aparte gebedsruimtes voor dames en heren. De oude terminal, die er bij een vorig bezoek in 1995 al buitengewoon verslonst uitzag, lag op loopafstand van de historische binnenstad, nu moet je daar met een stadsbus of met een taxi naar toe. Het wordt een taxi. Er zijn niet veel steden buiten het Nederlandse taalgebeid waar je een taxichauffeur met “stadhuis” kunt antwoorden op de vraag “waar wil je naar toe?” In Malakka kan dat, omdat de stad van 1641 tot 1795 een Nederlandse kolonie was en het rond 1650 door de VOC gebouwde “stadthuys” nu een toeristische attractie is. Malakka lag op een strategische plek van waaruit de Straat van Malakka, de zeeweg van en naar China en Japan werd beheerst. Voor de Nederlanders waren de Portugezen hier 130 jaar heer en meester. Nadat de Franse troepen in 1795 Nederland waren binnen gevallen, gaf de Stadhouder de opdracht om alle vaderlandse koloniën aan de bevriende Britten over te dragen. Na de Slag bij Waterloo hebben deze “vrienden” onder andere Zuid Afrika en Malakka maar voor zichzelf gehouden.

In KL hebben veel taxi’s meters, de taxi in Malakka heeft er geen. Helaas ontdek ik dat pas als we al onderweg zijn en zie de bui al hangen. Als je in dit soort gevallen van te voren geen ritprijs hebt afgesproken, dan word je waar ook ter wereld steevast bij aankomst op de plaats van bestemming genaaid. Dus ook in Malakka. Vijftien ringitt moet de korte rit kosten. De 170 kilometer van KL naar Malakka kostten 9 Ringitt. “Dat is vast een vergissing” zeg ik tegen de chauffeur “deze rit kost hooguit vijf.” Hij houdt voet bij stuk. Uiteindelijk duwt mijn medepassagier hem kordaat een briefje van tien in de hand “vorige keer was het ook tien, tot ziens!” Naast het stadhuis, dat een kopie van het stadhuis van Hoorn zou zijn en dat waarschijnlijk als woning van de gouverneur diende, staan de kerk, een door een rijke Chinese inwoner aan de stad geschonken klokkentoren en een aan Koningin Victoria opgedragen fontein. Aan de overkant staat een oerlelijk schaalmodel van een Nederlandse windmolen. Heel erg om zover van huis op deze manier met het vaderland te worden geconfronteerd.

Het “stadthuys” en de omliggende koloniale erfenis zijn lelijk rood gekleurd. De geïmporteerde bakstenen zouden met het ter plaatse gewonnen lateriet zijn afgepleisterd. Boven het stadhuis, ligt op een heuveltop de door de Portugezen gebouwde Sint Pauluskerk, waarvan alleen de buitenmuren nog overeind staan. In de resten van de kerk staan Nederlandse grafstenen tegen de muren: “Hieronder leyt begraven Reijnier D’Dieu. In syn leven oppercoopman in dienst der Ecomp. Overleden: den 7 Iuly A°1655.” Waar vroeger het altaar stond, is nu een soort wensput waar toeristen muntjes in gooien. Ernaast verkopen artiesten hun producten. Aan de andere kant van de heuvel staan de resten van de Portugese stadspoort, ervoor en ernaast wordt recente en oude Maleisische geschiedenis onder de aandacht gebracht. Op het plein voor de poort werd in 1957 de onafhankelijkheid geproclameerd. Oudere geschiedenis en de macht van de sultanaten is te zien in de replica van het paleis van de Sultan van Malakka. Oosterse pracht en praal in vogelvlucht. Mooi gedaan, maar weinig opwindend. Kleding, wapens, de slaapkamer van de Sultan, de komst van de islam, af en toe een vleugje geschiedenis in de vorm van een legende op een bijschrift.

Op naar de andere kant van de stad, naar de Chinese buurt, naar de Heerenstraat en de Jonkerstraat. De straten hebben allang andere namen gekregen. De straatnaambordjes die er in 1995 nog hingen, zijn opgeruimd. Veel oudere gevels, veel Chinese karakters en hier en daar een Chinese tempel. Met de woorden “je bent hier van harte welkom” word ik de uit 1645 daterende Cheng Hoon Teng, de oudste Chinese tempel in Maleisië binnen gewuifd. “Je kan zoveel foto’s maken als je wilt, bij ons is dat geen probleem. Alleen de moslims doen daar vaak moeilijk over!” Die Chinese tempels hebben iets van een druk bezocht en gezellig buurtcentrum. Alles en iedereen loopt in en uit en kletst met elkaar terwijl anderen wierookstokken branden en bidden bij een van de vele altaren. Mooie altaren met veel bladgoud, de beelden veelal achter glas, ervoor staan de offerandes vooral veel bloemen en fruit. De versiering van het tempeldak is ook zeer de moeite waard. Drakenkoppen en beelden uit het dagelijks leven van de goden, intrigerend. Achter de tempel verschillende “etalages” die vol staan met de Chinese tegenhanger van de bidprent. Rode kaarten met gouden karakters en soms een foto van de overledene erop, bakken vol kaarten die het zielenheil van de voorouders moeten verzekeren. Naast de tempel, een moskee, een stukje verderop een eenvoudige hindoetempel. Aan de buitenkant van veel huizen simpele rode huisaltaartjes, op sommige ligt fruit en branden wierookstokjes. Maleisië is zo te zien een tolerant land. Dat was vanochtend vroeg op straat ook goed te zien. Tegen de stroom van mensen die onderweg naar hun werk waren, liep ik naar het station. Van zwaar gesluierd tot navelvrije topjes en alles er tussenin deinde me tegemoet.

Donderdag, 12 augustus 2004. “Om daar naar toe te gaan moet je absoluut een taxi nemen” wordt mij door de conciërge van het hotel bezworen. Lopen kan echt niet, als compromis mag ik uiteindelijk met het stadsspoor. Vanuit de bus zag ik gisteren de voorkant van een mooie Hindoetempel die ik op mijn laatste middag in KL wil gaan bekijken. Natuurlijk is de tempel vlakbij, twee stations slechts. Verder dan de ingang kom ik helaas niet “Tot 4 uur vanmiddag gesloten!” De buitenkant is echter zeer de moeite waard. Boven de hoofdingang is een soort piramide gebouwd die geheel en al met afbeeldingen van hindoegoden en godinnen is bekleed. Keramiek, zo te zien. Gek hoor al die godinnen met vier armen en de dankzij zijn olifantshoofd zeer herkenbare Ganesha, de god van het geluk en het succes, de opruimer van obstakels en daardoor waarschijnlijk de meest aanbeden godheid in India. Aan beide kanten van de ingang worden bloemenkransen geregen, offerandes voor de goden in de tempel?

De tempel ligt aan de buitenkant van de Chinese wijk van KL. Pentaling Street is de centrale straat waar aan de ene kant illegale kopieën van CD’s en DVD’s worden verkocht en aan de andere kant merkkleding dat geen merkkleding is, sportschoenen idem dito, tassen idem dito, “copy watches” kort gezegd, van alles dat kan worden nagemaakt zijn hier goed gelijkende goedkope kopieën te koop. De handel bloeit. Mensen uit alle delen van de wereld staan over het aanbod gebogen of te onderhandelen over de prijs. Het rugzakje waar ik vage interesse voor toon, zakt binnen de minuut van 120 ringitt naar 45 ringitt. Maar dan ontdek ik een rekje met Che T-shirts en laat ik de rugzakjes voor wat ze zijn. Gisteravond werd op de tv een ruim vier jaar oude documentaire over Argentinië vertoond en hier, op twee dagreizen met het vliegtuig, Che weer. Zou ik ooit nog ergens naar toe kunnen reizen zonder aan Buenos Aires te worden herinnerd? Het begint te onweren en te regenen, de overdekte winkelstraat verandert in een klamme sauna. Via een zijstraat en een marktgebouw verlaat ik de wijk. ‘t Is net of ik even door Afrika loop, de pittige geuren, de opgewekte kleuren, alle vlees en vis hangt in de openlucht. Uiteraard stikt het van de vliegen, maar geen andere toerist die zich hier naar binnen waagt, heerlijk!

De allerlaatste poging om kaartjes voor de Twin Towers te bemachtigen blijkt te zijn mislukt, dan maar naar de Menara Kuala Lumpur, de KL toren. Iedere avond heb ik de top van de toren vanuit mijn hotelkamer als een kerstboom zien oplichten, nu maar eens kijken hoe het er daarvan binnen uitziet. De toren is een goed geoliede toeristenmachine, die druk wordt bezocht. Het is een van de hoogste telecommunicatietorens ter wereld met een prachtig uitzicht over KL en omgeving. Tenminste als het helder weer is, want vandaag is het erg heiig en het zicht beperkt. Toch kan je bijna bij de buren van de Twin Towers naar binnen kijken omdat de wat lagere KL Toren op een ongeveer honderd meter hoge heuvel is gebouwd. Hoort echt bij de dingen die je moet hebben gezien.

Vrijdag, 13 augustus 2004. Het vliegtuig vertrekt een uur te laat, maar komt wonder boven wonder precies op tijd aan op Schiphol. De service aan boord van Malyasia Airlines is een stuk beter dan die van onze nationale trots en de stewardessen zijn een behoorlijk stuk eleganter. Slechts het comfort van de stoelen laat veel te wensen over, ik doe geen oog dicht tijdens de lange nachtvlucht. Nederland ziet er bij aankomst vertrouwd grijs uit. De regen valt met bakken uit de hemel, het stormt. Op deze ene vrijdag zal er meer regen vallen als anders in de hele maand augustus. Met enige tegenzin moet ik toegeven dat het me toch wel een vertrouwd gevoel geeft.