|
DAGBOEK KUALA LUMPUR - 1 (10082004) Drie dagen, inclusief één rustdag, duurt het om van Buenos Aires naar Kuala Lumpur te reizen. Niet voor de lol maar voor mijn werk. Via Europa want de alternatieve route via Zuid Afrika is nog minder aantrekkelijk. Maleisië en Kuala Lumpur zijn geen terra incognita. Vijftien jaar geleden was ik er voor de eerste keer. In 1995 moest ik voor mijn werk naar Singapore en plakte daar een kort bezoek aan Malakka, Kuala Lumpur en het in het noorden gelegen eiland Penang aan vast. Deze keer moet ik letterlijk tussen de bedrijven door proberen de kennismaking met Kuala Lumpur en Maleisië te hernieuwen. Er is opvallend veel veranderd in de afgelopen negen jaren. Donderdag, 5 augustus 2004. “Bent u de afgelopen 30 dagen in Afrika of in Centraal of Zuid Amerika geweest? Zo ja, dan dient u zich te melden bij de Plantenziektekundige Dienst” en “Bent u de afgelopen 6 dagen in Afrika of in Centraal of Zuid Amerika geweest? Zo ja, dan dient u zich te melden bij de Quarantaine Dienst.” Op beide vragen antwoord ik netjes met “ja” de stempels met datums in mijn paspoort maken een leugentje voor het gemak zinloos. Vergeleken met de internationale luchthaven van Kuala Lumpur is Schiphol een wat tuttig vliegveldje. Wat is er hier aan alle kanten verschrikkelijk veel ruimte. Zoveel zelfs, dat de reizigers met een trein van Terminal C naar de bagagehal worden vervoerd. Nadat de dame met jihab van de paspoortcontrole mijn paspoort heeft gestempeld, is er niemand van de Planten of Menselijke Gezondheidsdiensten meer in mijn recente verblijf in Zuid Amerika geïnteresseerd. Slapende honden wakker maken doe ik al heel lang niet meer. Op mijn gemak wandel ik het land binnen. “Selamat Datang - Welkom in Maleisië!” Het vliegveld ligt zeventig kilometer buiten de stad en volgens de bewegwijzering vlakbij Argentinië. Op minder dan tien kilometer van de terminal hangt boven de snelweg een wegwijzer met een pijl rechtdoor voor Kuala Lumpur en een U-vormige pijl voor de richting Buenos Aires, heel vervreemdend. Kuala Lumpur doet zichtbaar ernstige pogingen om in het Guinness Book of Records een vermelding als de “grootste bouwput ter wereld” te krijgen. Links en rechts van de weg zijn heimachines en bouwkranen in volle actie. Woonwijken, industrieterreinen, kantoorgebouwen en moskeeën schieten als paddestoelen uit de grond. Dit is overduidelijk een land dat volop aan het groeien is. Uitstekende twee, drie een vierbaans wegen die, als er geen toevallig even geen bouwput in zicht is, worden omzoomd door oliepalmplantages of rubberplantages. Mijn hotel biedt waar voor het geld dat er voor een kamer moet worden betaald. Voor minder dan de helft van de prijs waarvoor je in Londen een kamer krijgt met net genoeg ruimte om met opgetrokken knieën op je zij te kunnen slapen, krijg je in Kuala Lumpur een grote kamer en suite op de 35ste verdieping met een supergroot bed, een zithoek, een werkhoek met snelle internetaansluiting en fax, een grote badkamer, een kleedkamer, gratis wasserij en butlerservice! Gedisciplineerd jong personeel dat zich de benen uit de kont loopt om je verblijf te veraangenamen, dienstverlening met een glimlach en zonder gezeik. Een ware verademing. Elf uur tijdverschil met Buenos Aires, zes met Nederland. Van de winter in Argentinië, 4° Celsius op de dag van vertrek, naar de klamme zomerse hitte van het Verre Oosten. Mijn lichaamsklok staat op slapen, mijn hoofd vertelt me dat het verstandiger is om wakker te blijven tot een wat normalere bedtijd van een uur of tien ’s avonds in plaats van drie uur ’s middag. Zodoende wordt het de warme stad verkennen in het felle zonlicht in plaats van slapen in een geblindeerde en heerlijk gekoelde kamer. KL, zoals Kuala Lumpur voor het gemak heet, is een relatief jonge stad, die haar naam dank aan de mijnwerkers die er in 1860 neerstreken en hun kamp “Modderige rivier - Kuala Lumpur” noemden. Het is druk en drukkend warm op straat. Veel motorrijders die als een zwerm muskieten voor de auto’s uitzoemen telkens als de verkeerslichten op groen gaan. Boven het verkeer zweeft de monorail. Steeds minder gebouwen en huizen die uit de koloniale tijd stammen, een melange van Aziatische etnische groepen. Door toeval raak ik in de Indiase wijk verzeild waar naast kleurrijk textiel, kleurrijke gekoelde drankjes worden verkocht: geel, lila, wit met veel ijs erin. Het smaakt naar niets volgens mijn westers georiënteerde papillen. Niet ver van het hotel staan twee prima oriëntatiepunten die overal bovenuit steken. De ietwat saaie Menara Kuala Lumpur, de telecommunicatietoren, en de Petronas Twin Towers, die met hun 88 verdiepingen en hoogste punt van 452 meter boven het straatniveau voor enige tijd het hoogste gebouw ter wereld waren. De door de Argentijnse architect Cesar Pelli ontworpen torens zijn bekleed met staalplaten die als spiegels het zonlicht weerkaatsen. Bij een onbewolkte blauwe hemel is dat een keihard schitterend licht, tegen zonsondergang lijken de torens soms net van goud te zijn. Als ik aan de voet van de torens naar boven kijk, lijken de gebouwen sprekend op een paar raketten die klaar staan om te worden gelanceerd. Dat komt voornamelijk door de twee ronde op silo’s lijkende kokers die tegen de torens zijn aangeplakt, net zoals de brandstoftanks van een ruimteraket. Ik wandel via een andere weg terug naar het hotel en kom in een kampong terecht, een ouderwetse oase midden in de moderne wereldstad met ruim twee miljoen inwoners. Dat is mooi te zien in de etalage van een “tailor and designer” met ontwerpen die absoluut in een andere tijd thuis horen. Vroeger dus. Zaterdag, 7 augustus 2004. Aan het einde van een lange werkdag is er nog een uur of twee daglicht. Ondanks de veiligheidsvoorschriften van mijn werkgever, die voorschrijven dat men bij voorkeur in een groep de straat op moet gaan en buurten waar het wel eens “onveilig” zou kunnen zijn moet mijden, dwaal ik in mijn eentje door de stad. Op een stadsplattegrond heb ik de looprichting naar de voormalige koloniale regeringsgebouwen en het oude spoorwegstation op gezocht. De hoogbouw heeft de stad dusdanig veranderd dat de horizon min of meer is verdwenen. Vroeger staken die gebouwen overal bovenuit, nu liggen ze verborgen achter de veel hogere nieuwbouw. Dat zijn niet de enige obstakels. Veel in de afgelopen jaren aangelegde wegen hebben geen trottoir, hetgeen deze voetganger herhaaldelijk gedwongen van richting doet veranderen. Uiteindelijk beland ik toch op de “padang” zeg maar de “village green” van de Britse kolonialen. Een groot grasveld in het midden van de stad, waar vroeger ongetwijfeld cricket werd gespeeld of voetbal of waar werd gebowld. De weide wordt aan de ene kant omzoomd door een paar huizen die je in Engeland doen wanen en door de Anglicaanse kathdraal. Aan de andere kant ligt het voormalige “Colonial Secretariat” het koloniale hoofdkwartier dat nu de zetel van het Hooggerechtshof is. De koloniale architecten creëerden een geheel eigen stijl die wel als “Moors” of “Islamitisch geïnspireerd” wordt aangeduid, dat wil zeggen veel Arabische aandoende boogjes en torens bekroond met uiachtige koepels. Erachter vloeien de twee modderige rivieren samen en ligt de oudste moskee van KL, de Masjid Jame - de Jame Moskee. Het lage moskeegebouw verdwijnt steeds verder in de onophoudelijk voortwoekerende betonnen stadsjungle. Naast de lelijke moderne hoogbouw is er ook nog eens een oerlelijk station van de op een betonnen viaduct boven het straatverkeer rijdende stadstrein bij gekomen. Het type “lelijk viaduct” van dezelfde soort als de “bovengrondse metro” in sommige delen van Rotterdam. Op de terugweg naar het hotel loop ik door een buurt waar het wel eens onveilig zou kunnen zijn. Waarom moeten dat nu altijd de levendigste wijken zijn? De winkels zijn tot laat open, er is een straatmarkt aan de gang en er is een “hawkerscentre” een plein in de openlucht waar je voor een relatieve grijpstuiver een eenvoudige maaltijd kunt nuttigen die in één van de tientallen omliggende kraampjes wordt bereid. Zelf geef ik de voorkeur aan het restaurant op de hoek, waar volgens de lichtbak “bananaleaf muslim food” wordt verkocht dat geheel en al “halal” is, volgens de islamitische voorschriften bereid. Ik bestel nasi briyani en een glas “air barli - gerstewater” dat niet moet worden verward met gerstenat, want alcohol houdende drank wordt uiteraard niet geschonken. Om te bewijzen dat het echt gerstewater is, ligt op de bodem van het glas een laagje gerstekorrels die zo week zijn, dat ze zich door het rietje naar boven laten zuigen. Het is een smakeloos drankje, bier is stukken lekkerker. De maaltijd wordt geserveerd op een bordje dat is afgedekt met een op maat geknipt bananenblad en wordt verder nog opgefleurd met heerlijk vers gebakken kroepoek. In de schaduw van het hotel wandel ik door een winkelstraatje dat nog uit de koloniale tijd dateert en tot op heden aan de slopershamer is ontsnapt. Vooral Chinezen hebben hier van-alles-en-nog-wat winkeltjes. Een groot bord boven een winkeldeur trekt mijn aandacht, niet vanwege de mooie Chinese karakters maar vanwege de Engelse tekst eronder. Dit is de winkel van Tong Nam een “piles specialist” oftewel “gespecialiseerd in aambeien.” Dat zit wel goed in KL. Zondag, 8 augistus 2004. De keuze tussen een groepsexcursie of uitslapen en zelf op pad gaan kost weinig moeite. Met een groep op pad gaan naar plaatsen die ik al eens eerder heb bezocht, is nu eenmaal niet mijn favoriete tijdverdrijf. Voor het eerst deze week is er tijd om op mijn gemak te ontbijten en rond te kijken. De Islam is de Maleisische staatsgodsdienst. Dat is goed zichtbaar in het straatbeeld: het “halal” restaurant waar ik gisteravond heb gegeten, de vrouwelijke immigratie ambtenaar in uniform met bijpassende jihab, de vele moskeeën, de “kiblat” in mijn hotelkamer, het richtingwijzertje naar Mekka om toch vooral maar zekerheid te hebben dat je het gebed in de goede richting uitspreekt. Op straat overal vrouwen met hoofddoek en in vele variaties van top tot teen gekleed om de tot aanstoot aanleiding gevende lichaamsdelen te bedekken. De Maleisische vrouwen dragen veelal kleurige kleding, fleurige jihabs en vaak een redelijk strak afkledende spijkerbroek of pantalon. Dat mag dus wel. In het hotel lopen echter flink wat vrouwen rond in zo’n vormloze ruim vallende lange zwarte jurk. Sommigen laten hun gezicht zien, maar vele anderen dragen een “tudung” een sluier die het hele gezicht verhult en alleen een openingetje voor de ogen heeft. Aan het tafeltje naast me zit een vrouw met zo’n gezichtssluier. Met enige spanning wacht ik op het moment dat zij zal gaan eten, want als je als vrouw je gezicht niet aan vreemde mannen mag tonen, hoe breng je dan een hap naar je mond? Helaas zal ik daar niet achterkomen, na een poosje rolt zij haar ontbijt in een servetje en verdwijnt uit zicht. “Arabieren uit het Midden Oosten” legt een Maleisische collega uit. Die gaan sinds de aanslagen van 11 september 2001 niet zo graag meer naar het Westen en hebben zodoende min of meer bij toeval het Verre Oosten ontdekt. En ze hebben ontdekt dat hetzelfde comfort als het Westen biedt hier veel goedkoper is en dat de faciliteiten niet onder doen voor die in West Europa of de Verenigde Staten. Mond op mond reclame heeft ervoor gezorgd dat er steeds meer Arabieren deze kant op komen. “Hoe die gesluierde vrouwen eten? Heb je dan niet gezien hoe ze haar tudung een beetje oplichtte?” Wordt vervolgd. |