|
DE WEEK VAN DE BANDONEÓN - 1 (12072004) “Op de 11de juli van ieder jaar zal voortaan in de stad Buenos Aires de geboortedag van Aníbal Triolo worden herdacht als de “Dag van de Bandoneón” (wet nummer 366).” Gustavo López, de Minister van Cultuur van de Autonome Stad Buenos Aires, citeert deze wettekst aan het begin van zijn buitengewoon saaie toespraak. Omdat het dit jaar 90 jaar geleden is dat Troilo werd geboren, doet de gemeente er in 2004 een schepje bovenop en wordt hij zelfs een hele week herdacht. Zo verandert “de Dag van” in de “Week van de Bandoneón.” Aníbal Troilo staat ook bekend als “Pichuco” de koosnaam die zijn vader hem gaf en als “El Gordo - de Dikke” zoals hij door zijn vrienden en collega’s werd genoemd. Als je foto’s van Troilo ziet, begrijp je meteen waarom. El Gordo was de populairste bandoneónspeler, componist en orkestleider van de jaren 1940 en 50, de gouden jaren van de tango. Zo begon onder andere Astor Piazzolla zijn muzikale carrière in het orkest van Troilo. Pichuco stierf in mei 1975, maar is tot op de dag van vandaag nog steeds erg geliefd. Heeft dat misschien te maken met de herinnering aan de goede tijd van weleer? Maandagmiddag 5 juli even na vijf uur. Via een metaaldetector bij de ingang, die het metaal in mijn zakken niet ontdekt, bestijg ik de marmeren trappen van het gebouw waarin het Stadsparlement van de Argentijnse hoofdstad haar wetgevende werk verricht. Het is een indrukwekkend paleis, vlakbij de Plaza de Mayo. In de Salón Dorado - de Gouden Zaal gaat zo dadelijk de “Rondetafelconferentie over de bandoneón in de muziek van Buenos Aires, de Argentijnse Rock, fusie en nieuwe ontwikkelingen in de tangomuziek” beginnen. De Salón is een zeer statige zaal met grote kristallen kroonluchters aan en engeltjes op het plafond. Overal waar je kijkt glimt het bladgoud. Het is niet uit belangstelling voor de conferentie dat ik hier ben. Ik wil er gewoon zeker van zijn zo meteen een plaats te hebben voor het optreden van Tanghetto en Buenos Aires Negro na afloop ervan. Daarvoor ben ik best bereid om een uur of twee naar betogen te luisteren waarvan ik van tevoren maar moet afwachten of die interessant, stomvervelend, amusant of onderhoudend zullen zijn. Ik heb geen enkel risico lopen dat de zaal vol zit als de muziek begint. Het valt allemaal reuze mee. Na de saaie toespraak mag ieder van de genodigden aan de Ronde Tafel om de beurt zijn zegje doen, dat soms informatief is maar vaker weinig om het lijf heeft. Het panel bestaat uit verscheidene musici, een historicus, een schrijver en een platenproducent. De echte discussie begint pas als “de zaal” vragen mag stellen. Degene die oppert dat er duidelijke invloeden van de flamenco in de tangomuziek zijn te bespeuren, wordt door de historicus als een ongehoorzaam kind op de basisschool in de hoek gezet. Waar haalt die vent de gore moed vandaan! De tango is van de Río de la Plata, van Buenos Aires en van Montevideo aan de overkant van de rivier en heeft niets, maar dan ook helemaal niets met Andalucia of Spanje te maken. In de pauze tussen de discussie en het muzikale deel van de avond biedt de Gemeente sandwiches en koffie aan. Op een muur hangt een bordje dat naar de bibliotheek verwijst. Een medewerker is graag bereid een rondleiding te geven. De grote zaal is zwaar gelambriseerd en ook daar hangen prachtige kroonluchters. “Kant en klaar uit Europa geïmporteerd en hier weer in elkaar gezet” zo wordt er vol trots bij verteld, als een soort IKEA meubel voordat dat werd uitgevonden. Het hele gebouw bestaat uit kostbare materialen en ik heb zo’n flauw vermoeden dat het als een grote Lego bouwdoos werd ingevoerd. Iets dat in de rijke tijd van Argentinië niet ongebruikelijk was. Voordat ik naar de muziek mag, moet er in de leeszaal snel nog even een vroeg schilderij van Antonio Berni worden bewonderd. Gelukkig ben ik goed thuis in de Argentijnse schilderkunst en kan er over mee praten. Trots vertelt de rondleider dat zijn vrouw kunstenares is en les heeft gehad van de beroemde meester. De muziek van Tanghetto en Buenos Aires Negro past uitstekend bij het thema van de avond. De zesmansformatie Tanghetto bestaat uit jonge musici die melodieuze en af toe ietwat weemoedige elektronische tango spelen. Die weemoed wordt door de leider van de groep toe gelicht. Ze spelen de nummers van hun CD “Emigrante”, een verwijzing naar de Argentijnen die het land de rug toekeren om elders hun geluk te zoeken. Net zoals hun grootouders of overgrootouders deden toen ze vanuit Europa naar Argentinië emigreerden. De muziek is bedoeld om in hun bagage mee te nemen en om naar te luisteren als ze in den vreemde naar Argentinië, naar hun roots, terug verlangen. De muziek van Tanghetto staat in schril contract tot die van Buenos Aires Negro, dat is van dik hout zaagt men planken. Ruige hard rock en heavy metal invloeden verraden het verleden van de zanger “Pechu” en de meeste andere leden van de groep, de bandoneonspeler zit er wat weggestopt bij alsof ze zich voor hem generen. Uiteraard staat de geluidsinstallatie weer eens op “oerend hard” hetgeen de teksten vrijwel onverstaanbaar maakt. Erg jammer, van een eerder optreden weet ik dat die het beste onderdeel van hun muziek zijn. Een avondje hard rock tango onder de kristallen kroonluchters, zoiets is echt “muy Buenos Aires - heel erg Buenos Aires.” Als ik op donderdagavond 8 juli van mijn werk naar huis loop, staan er voor de studio van Radio Nacional Argentina al mensen in de rij. Dat is twee uur voordat het publiek in het auditorium de directe uitzending van het populaire tangoprogramma “la Fonola” het karakter van een levendig theater mag komen geven. Voor de zekerheid informeer ik aan de balie of er wellicht kaartjes voor de gratis voorstelling zijn. “Nee, je moet in de rij wachten tot de deuren van de studio opengaan” antwoordt de receptioniste, die daar nog streng aan toevoegt ”denk erom dat je een pak houdbaar voedsel meebrengt hoor!” Dat is namelijk de toegangsprijs die voor de show van vanavond moet worden betaald. Het voedsel zal later onder minder bedeelden worden verdeeld. Met een kilopak rijst onder de arm sluit ik ruim een uur later aan in een rij die inmiddels tenminste honderd meter lang is. Daar maak ik kennis met Julia, die weer achter mij aansluit. Ze is 73 en komt uit het stadsdeel Lanus dat aan de buitenkant van Buenos Aires ligt. Ze zal me verder de hele avond gezelschap houden en min of meer deskundig commentaar geven als het zo uit komt. Ze vertelt met een stralend gezicht dat ze als teenager de tango heeft gedanst in de zalen waar Triolo optrad. Als de directrice van het radiostation een korte toespraak houdt, fluistert ze dat die tijdens de militaire dictatuur jarenlang heeft vast gezeten, als ik Piazzolla noem, wordt mij direct verteld dat niemand in Buenos Aires zijn muziek ooit heeft zien zitten en dat het helemaal niets met tango heeft te maken, wat de zanger Tito Reyes zoal op zijn geweten heeft en dat de zangeres María José Mentana al optrad toen ze nog maar tien jaar oud was. En “oh, in deze tekst zit een heleboel lunfardo, de geheimtaal van Buenos Aires, begrijp je dat een beetje?” En zo voorts. De uitzending is al begonnen voordat iedereen binnen is, maar dat deert niet. Het is geen al te grote zaal, maar moet bij de opening een art deco juweeltje zijn geweest. De decoratie van ceramiek aan de bovenkant van de muren en de voorkant van het pijporgel zijn de stille getuigen van wat eens heel gewoon was in deze stad. De presentator en een paar gepensioneerde collega’s halen herinnering aan Troilo op Het orkest “Gente de Tango” dat een aantal zeer bejaarde musici in de gelederen heeft, speelt bekende Troilo deuntjes. Eén van de violisten kan na gedane arbeid niet eens op eigen kracht uit zijn stoel komen, hij moet door twee man overeind en van het podium worden geholpen. Meer herinneringen afgewisseld met meer muziek. Een optreden van de mollige zangeres María José Mentana. Ze is, zoals dat bij tango hoort, geheel in het zwart gekleed: een broekpak en een strak T-shirt met op borsthoogte de tekst “obra maestra - meesterwerk.” De vraag die me tijdens haar afschuwelijk optreden bezig houdt is wat ze daarmee probeert te vertellen. Heeft ze soms een afspraak met haar plastische chirurg om zo het liften of de vergroting van haar boezem te betalen? Het ziet er allemaal veel te stevig uit voor een vrouw van haar leeftijd. Tito Reyes wordt aangekondigd als “de laatste zanger van Troilo.” De bejaarde artiest gedraagt zich als een jeune premier, maar wordt door de zaal luidruchtig en keihard herinnerd aan de beperkingen die zijn leeftijd met zich meebrengt. Als ie met een mooie jonge meid probeert te flirten, wordt er voor iedereen hoorbaar “dat kan jij allang niet meer!” geroepen. “Goed contact met het publiek” heet zoiets. Nog meer herinneringen. De zanger Raúl Lavie “el negro Lavie” mocht als achttienjarige bij Pichucu optreden, hij is inmiddels 66 en helemaal grijs. In Buenos Aires is een “negro” geen “neger” maar iemand die gitzwart haar heeft of had..Lavie heeft nog steeds een prachtige stem en zingt af en toe mooie Piazzolla composities met Ultratango, de band van twee van zijn zonen die elektronische tango speelt. Terwijl Lavie nog staat te zingen, verzamelt zich een zooitje ongeregeld in het gangpad. Bo Didley zong het veertig jaar geleden al “You can’t judge a book by looking at the cover!” dat gaat eens te meer op als de tien jonge dertigers aan het musiceren slaat. Ze vormen samen het orquesta típica - het traditionele tango orkest “Fernández Fierro” Op de voorste rij zitten vijf bandoneónspelers. Eén met rasta’s een ander met een T-shirt waarop met grote letters FUCK OFF staat, het ziet er niet uit. Maar….....als ze beginnen te spelen, spelen ze de sterren van de hemel en wat doet een lullig hemdje er dan nog toe? Bekende oude en meer recente tangos zijn van een nieuw jasje voorzien en klinken heerlijk modern en swingen zowaar. Wat een dynamiek De zanger Walter “el Chino” Laborde speelt de mooie jongen. Hij moet wel. Het als “de grote verleider” te worden aangekondigd schept zo zijn verplichtingen. De bijnaam “el Chino” wijst op zijn enigszins scheefstaande ogen, verder is er weinig Aziatisch aan hem te bespeuren. Het grotendeels wat oudere publiek reageert enthousiast. Als tijdens het optreden de uitzending wordt afgekondigd, klinkt een langdurig “otra! otra!” oftewel “bis! bis!” uit de zaal. De jongens van de band hebben aan een half woord genoeg en spelen lustig door totdat de regie er genoeg van krijgt en het licht uit doet. Bij het verlaten van de studiozaal zie ik een oude man op de bandoneonspeler met het “fuck off” T-shirt afstappen “ik heb nog nooit een bandoneonspeler zien optreden die er zo bijloopt als jij” begint hij “maar je speelde fantastisch! Gefeliciteerd met dit prima optreden!” Opnieuw “muy Buenos Aires - heel erg Buenos Aires!” Julia en ik nemen afscheid met een vriendschappelijke kus op de wang, ook dat is heel gewoon in Buenos Aires. Chocolade Jacques, chocolade Jacques, fluistert ze een paar keer voor zich uit. “Op die manier kan ik tenminste je naam onthouden” zegt ze “erg leuk je te hebben ontmoet!” wordt vervolgd. |