|
DAGBOEK CHILI - 3 (30062004) Dinsdag, 22 juni 2004. Om vier uur is het stikdonker, van de maan is niet meer dan het randje van de nieuwe maan te zien. Zoals boven de meeste woestijnen kan in San Pedro de intrigerende schoonheid van de sterrenhemel worden bewonderd. Niet voor al te lang want het is tegelijkertijd stervenskoud. Om kwart over vier klim ik het busje waarin al een stuk of zes dik in winterjack, ijsmuts en wollen wanten gestoken medepassagiers zitten. Iván, de chauffeur en gids, ken ik nog van zondag. We pikken nog een paar passagiers op en gaan onderweg naar de geisers die aan de voet van de vulkaan El Tatio liggen. Volgens de kenners betekent “El Tatio” de oude die huilt. Het wegdek bestaat uit een laag zout die door een bulldozer glad is geschraapt, op dezelfde manier waarop dat op het platteland van Afrika met het rode lateriet wordt gedaan. Het verkeer op zo’n weg veroorzaakt een soort ribbels die het gevoel geven alsof je over een enorm wasbord rijdt. De kunst is om de auto in een bepaald ritme te krijgen om dat niet te voelen, een kunst die Iván niet verstaat. De concurrentie gaat veel sneller. De weg stijgt geleidelijk van de bijna 2400 meter boven de zeespiegel waarop San Pedro ligt, tot 4600 meter bij KM 55 van deze B-weg. Een collega chauffeur krijgt een lekke band en Iván stopt om bij te lichten en te helpen. De passagiers van dat busje moeten uitstappen en staan zichtbaar te blauwbekken. Na een minuut of twintig kunnen we verder, het zullen kostbare minuten blijken te zijn. De weg van zout ziet er in het donker spookachtig wit uit, met name waar hij door zoutbergjes heen is gegraven, kijk je dankzij het licht van de koplampen tegen spierwitte muren op. Later, bij daglicht, zal het er smoezelig grijs uitzien. We schieten niet erg op. De dag verschijnt al vanachter de bergrug voordat we bij de geisers zijn. Als laatkomers missen we dit ochtendgloren, dat volgens zeggen het mooiste moment van de dag moet zijn. Winters ingepakt wandel ik in het ochtendschemer door het midden van de enorme krater, aan het oog ontrokken door de stoom die overal uit de gaten in de grond opstijgt. Alsof je door de mist loopt. Diep onder de grond bevindt zich gloeiende magma, afgescheiden daarvan lopen dichter bij het aardoppervlak ondergrondse riviertjes. Het rivierwater wordt door de magma verwarmd, gaat koken en veroorzaakt de stoom die soms met grote kracht de lucht wordt in geblazen. Het zijn stoomgeisers in Chili en niet de watergeisers die op IJsland voorkomen. Het vriest tussen de 10 en 15 graden, op de grond ligt een stevige laag ijs. Waar het ondergrondse water kookt, is het net of je tussen pruttelende pannetjes die op een vuur staan loopt, het is een en al pruttelen dat je om je heen hoort. Vanuit een paar grotere gaten wordt de stoom krachtig de lucht in geblazen, vanuit de meeste stijgt echter niet meer dan een rooksluier op, zoals vroeger de rook uit de schoorsteen van een huis. Er staan een paar uitstulpingen die op schoorstenen lijken, gevormd door de mineralen die uit de grond naar boven zijn gestuwd. Als de zon over de toppen van de Andes verschijnt, wordt het missen van het veel kleurrijker aanbreken van de dag enigszins vergoed. Het is een verbijsterend mooi gezicht waarop de natuur ons trakteert. Ondanks de vrieskou picknicken we in de open lucht op deze tweede dag van de winter op het zuidelijke halfrond. De wanten heel even uit om het broodje met kaas in de mond te steken en een plastic bekertje Nescafé te drinken. Aan de andere kant van de krater ligt een “piscina - een zwembad” met warm water, dat wel. De koude bovenlucht is de uitdaging. Slechts een paar durfallen, die zo te zien indruk op hun vriendinnen willen maken, gaan zwemmen. De rest kijkt toe of wandelt naar de grootste geiser die aan de voet van El Tatio ligt. Het kokende water spuit af en toe één à twee meter omhoog, de stoompluim die wordt opgeblazen is vele meters hoger. De temperatuur van het borrelende water is gemiddeld 86° Celsius! Op de terugweg krijgen we het landschap te zien dat we eerder op de dag door het duister hebben moeten missen. Op de hoogvlakte is het veel groener dan beneden in de woestijn. Er groeit een taai soort graspollen op de rotsachtige bodem. Waar gras groeit, leven herbivoren. Hoog in de Andes zijn dat vicuñas, familie van de lama, kameelachtigen met een wollige vacht. Van wat wij “lama’s” noemen, leven er hier vier verschillende soorten. Twee in het wild, de vicuña en de guanaco, de andere twee, de lama en de alpaca, zijn gedomesticeerd. De eerste twee soorten leven hoog in de bergen, de laatste twee leven minder hoog. De wol van de vicuña is zijdeachtig, zeer gewild en erg duur. Omdat het een beschermde diersoort is, is het moeilijk om de wol te oogsten, maar daar heeft de lokale bevolking een handige oplossing voor bedacht. Net zoals er in Japan in naam van de wetenschap op de beschermde walvis wordt gejaagd, om het vlees vervolgens lekker op te eten, worden hier de vicuñas gevangen om ze te merken om de migratiepatronen te volgen. Toevallig een mooie gelegenheid om ze van hun zeldzame wol te ontdoen. Wat dat betreft zijn de lama en de alpaca, de schapen van de Andes, hun dikke wollen vacht wordt gewoon “op de boerderij” geschoren. Als volgzaam vee worden we in het als los zand aan elkaar hangende dorp Machuca gedropt “Jullie hebben een half uur.” Het is volgens de gids een authentiek dorp waar nazaten van de Atacameñas wonen, de oorspronkelijke bewoners van de streek. Het is een zielig en schijnbaar verlaten dorp. Een bejaarde vrouw is omgeschoold tot beheerder van het pissoir, een oude man verkoopt brokjes gegrild lamavlees. Het kerkje is zoals het hoort op het hoogste punt van het gehucht gebouwd. In koloniale tijden keek God in vrijwel heel Latijns Amerika bij voorkeur op de al dan niet uit overtuiging tot het katholicisme bekeerden neer. Net als de kerk hebben de huizen een rieten dak dat door rode klei op zijn plaats wordt gehouden. Midden op de nok staat een kleurig versierd kruisje “ter bescherming van hen die onder dit dak wonen.” Woensdag, 23 juni 2004. Uiteindelijk gaat de trip die ik al dagen had willen maken alsnog door. Er zijn zowaar vijf anderen die de Lagunas - de bergmeren - van Miscanti en Meniques willen gaan bekijken. Eerste tussenstop is in het dorpje Toconao. We worden tot mijn chagrijn afgezet bij een souvenirwinkel waar meer van hetzelfde wordt verkocht. Dat wil zeggen truien, handschoenen en mutsen van lama- of alpacawol én onnuttige producten die van de bedreigde cactussoort met de fraaie naam Echinopsis Atacamensis zijn gemaakt. Dezelfde cactus leverde een paar eeuwen geleden de dakbedekking voor het kerkje van San Pedro. Gisteren reden we door een vallei waar deze als een flinke sigaar in de lucht stekende cactus zeer spaarzaam groeit. Hoewel groeien een wat groot woord is, de groei bedraagt slechts 1 à 2 centimeter per jaar. Beschermd? Niet zeuren joh, wij maken er met veel plezier schemerlampjes, servetringen, fotolijstjes en andere hebbedingetjes voor toeristen van. De deur van de vrijstaande kerktoren is ook al van cactushout gemaakt. De kerk van Sint Lucas die achter de toren ligt, heeft net zo’n aardig paleisachtig altaar als de kerk van San Pedro. Dit altaar ziet er een stuk eenvoudiger uit, maar is wel leuker. Naast de troon zitten twee oubollige opgewekte heiligen. ´t Is net alsof ze vlak voordat ze moesten poseren een stevige neut hebben weg gespoeld. Volgende dorp, zelfde verhaal. Ik heb geen zin om de lelijke betonnen kerk te gaan bekijken en praat wat met de kokkin van het huiskamerrestaurant waar we over een paar uur zullen gaan lunchen. Ze heet Rose en is Atacameña, net zoals alle anderen die in dit dorp, dat Socaire heet, wonen. Hun eigen taal wordt door niemand meer gesproken. Iedereen spreekt Spaans, iedereen is katholiek. Ze is wat beschaamd dat in sommige buurlanden de oorspronkelijke talen nog steeds worden gesproken, zoals het quechua in Peru en het guarani in Paraguay. Het dorp ziet er welvarend uit. In en rond de woestijn heeft de lokale bevolking heeft het beheer van de natuurreservaten over genomen en leeft van de entreegelden die de toeristen betalen. Socaire heeft de “concessie” voor de twee lagunes hoog in de bergen. De tocht er naartoe gaat bijna stapvoets, het gezicht op de twee bergmeren aan de voet van een vulkaan is fraai, maar het begint allemaal wat afgezaagd te worden. Strak blauwe lucht, hemelsblauwe zoutwatermeren op 4400 meter boven de zeespiegel, vulkaantoppen, eindeloze rijen vulkaantoppen. De overdaad begint te schaden, de meeste medepassagiers doen een tukje. Na de lunch gaan we ter afsluiting van de dag naar de Salar van Atacama, het enorme zoutmeer dat een oppervlakte van 320.000 hectaren heeft. ’t Is net of je door een sneeuwlandschap loopt, het zout knispert onder je voeten en de paadjes lijken precies lekker glad gegleden ijsbaantjes. Op het diepste punt is de zoutlaag 1400 meter dik! En het is echt zout, ik heb het geproefd en heb een brok mee naar huis genomen. Er stroomt water onder het zout en er zijn een aantal meertjes in de zoutvlakte waar flamingo’s de hele dag met hun kop in het water staan. Volgens de gids voeden deze vogels zich 12 uur per dag. Het zijn niet die geweldige kolonies van duizenden flamingo’s zoals je die in Kenia hebt, deze zoutvlakte is veel dunner bevolkt. We blijven tot de zonsondergang, die doordat er inmiddels een paar wolken aan de hemel zijn verschenen, prachtige veelkleurige beelden oplevert. Als ik het roze jack, de handschoenen en de ijsmuts, die hoog in de bergen nogmaals hun nut hebben bewezen, ga teruggeven, onthult de eigenaresse ervan dat ze antropologe en archeologe is. Ze heet Ana María Barón en runt samen met haar echtgenoot Claudio het hotel waar ik logeer. Ze laat me foto’s van haar opgravingen zien en vertelt over haar samenwerking met Gustave Le Paige, naar wie het plaatselijk museum is vernoemd en die haar mentor was. Het wordt de boeiendste avond van mijn verblijf in de woestijn. Ze vertelt een prachtig verhaal over haar werk in de krater van de vulkaan Licancabur. In de krater is een meertje, op de oever staat een oud Inca heiligdom. Een Franse collega dook er ooit een kristallen bol op met het “gezicht” van de door de Inca’s aanbeden zon erop. De foto die Ana María toen maakte, hangt in het hotel. Helaas liet de collega de vondst daarna uit zijn handen vallen. Van alles hebben ze geprobeerd, maar de bol is nooit meer boven water gekomen. Terug naar Buenos Aires. Bij het eerste daglicht reis ik op donderdag per auto en vliegtuig door en over de woestijn tot aan Antofagasta. Tijdens de ruim twee uur durende vlucht naar Santiago is er niets anders te zien dan een onherbergzaam vulkaanlandschap dat vlakbij de Chileense hoofdstad wordt afgewisseld door de besneeuwde toppen van de Andes. ’t Is net of Chili een onbewoond land is. Op vrijdagmorgen wekt het verkeerslawaai van Buenos Aires me voor dag en dauw. De lucht is grauw, het gaat vast en zeker regenen. De horizon bestaat weer uit flatgebouwen in plaats van een bergrug die uit een lange rij vulkanen bestaat. Terug van weggeweest in de jungle van de grote stad, zoals die door Madonna in de film Evita zo swingend wordt bezongen. Ik moet me tot mijn verbazing zowaar aanpassen. Zonder er moeite voor te hebben gedaan, ben ik in de woestijn totaal onthaast geraakt. Op zaterdagavond zingt Ana Vasini in de confiteria op de hoek haar tango’s. Koffie drinkend aan de bar luister ik naar de zo vertrouwde tangomuziek, eindelijk weer het geluid van een bandoneón. Ter afwisseling danst de zangeres met haar partner op de twee vierkante meter vloer die tussen de tafeltjes als “podium” is vrij gemaakt. Zo gaat dat in het centrum van Buenos Aires waar nu eenmaal veel minder ruimte is en waar heel andere sterren stralen dan in de woestijn van Atacama. |