DAGBOEK CHILI - 2 (25062004)

Zondag, 20 juni 2004. Zondagmorgen is een goed moment om langs de kerk te gaan. De zondagse mis biedt na afloop vaak een uitgelezen mogelijkheid om in één klap een goede indrukte krijgen van wie er zo al in een dorp of stad woont. Helaas zitten de kerkdeuren in San Pedro op slot. In de tegenover de kerk gelegen markt, waar souvenirs en andere prullaria worden verkocht waar toeristen gek op schijnen te zijn, zijn de luiken ook nog dicht. De straten zijn leeg. Al rondzwervend loop ik aan de buitenkant van het dorp tegen de begraafplaats op. De eenvoud ervan moet een afspiegeling zijn van de eenvoud van de mensen die hier wonen. Veel graven zijn niet meer dan zandhopen waarin een scheef staand kruis steekt met de naam van de overledene erop. Het doet me denken aan de grote islamitische begraafplaats van Katsina, een stad op de grens van de Sahara in het noorden van Nigeria. Daar bestonden alle graven uit niet meer dan zandhopen maar met een halve aarden pot aan het hoofd in plaats van een kruis. Soms staan er twee kruizen in het zand, kennelijk een familiegraf. De moderne tijd is aan het binnensluipen. In het zo te zien oudere deel van de dodenakker staan tombes van “adobe” de stenen gemaakt van klei gemengd met gras en dierenstront, in het nieuwere deel wordt hier en daar beton gebruikt. Het graf van Emilia Martinez ziet er gezellig uit. Het is een soort betonnen volkstuinhuisje. In de deur hangt een vrolijk gekleurd keukengordijn. Echt huiselijk.

Voordat de gids ons ’s middags naar de Valle de la Luna - de Maanvallei leidt, moeten we eerst langs wat andere plekken getroond. Pas later zal duidelijk worden waarom, het heeft namelijk geen zin om voor een bepaalde tijd in de Maanvallei rond te hangen, maar dat wist ik toen nog niet. Op een plaats met een wijds uitzicht kijken we naar wat tienduizenden jaren geleden de bodem van de oceaan was. Het is wat vervreemdend om op zo’n 2500 meter boven de zeespiegel en ruim 400 kilometer uit de kust oog in oog te staan met wat ooit de diep onderwater gelegen oceaanbodem was. Vervolgens maken we een wandeling door de Dodenvallei, zo genoemd omdat daar door vroegere bewoners van de streek kennelijk de ernstig zieken werden achter gelaten om te streven. Langs een grote zandduin komen er nu springlevende boardsurfers naar beneden. In de uitgesleten rotsen zijn de vele lagen te zien die de doorsnede van de aardbodem vormen, dit moet een paradijs voor geologen zijn. Er waait een koude wind en het zand stuift, we dalen een flink stuk. Ik baal van de gedachte zo meteen dezelfde weg terug te moeten lopen, hoe imposant de vallei ook is. Bovendien herinnert het op een zondag door de “vallei des doods” te wandelen me te zeer aan mijn kerkse verleden. Gelukkig staat het busje bij de “uitgang” van de Dodenvallei te wachten en mogen we door naar de Maanvallei.

De Maanvallei wordt zo genoemd omdat het er precies op een maanlandschap zou lijken. Volgens een folder is dit ruige gebied zo’n 22 miljoen jaar geleden gevormd! Eerst nog even kruipdoor sluipdoor door wat vermoedelijk lang geleden een zoutmijn was, voordat er eindelijk wordt door gereden naar de centrale krater van de aardse maan. Het busje wordt aan de voet van een 230 meter hoge zandduin geparkeerd en de gids legt uit wat nu de bedoeling is. Aan de linkerkant door het rulle zand naar boven klimmen, daarna over de volle breedte van de duin naar het bergrugje aan de rechterkant lopen. Daar aangekomen nog eens een meter of 50 vals plat door het rulle zand klimmen en dan maar hopen dat het uitzicht de moeite waard zal zijn. “Jullie hebben een dik half uur, om tien voor zes begint het spektakel als de zon achter de volgende bergrug wegzakt!”

Vol goede moed begin ik aan de klim. Ik heb geen zin om in de staart van de groep te lopen, want dat betekent stof happen. Het valt niet mee om op bijna 2800 meter boven de zeespiegel een dergelijke oefening te doen. Geconcentreerd en gestaag doorstappen en vooral niet naar boven kijken en bedenken hoe ver het nog is. Patricio, de gids, loopt met me op. Dat helpt, we stappen stevig door en ik beëindig de klim als nummer zeven. Met een behoorlijk versneld kloppend hart, dat wel. Vanaf de bergrug heb je een spectaculair gezicht op de toppen van de Andes aan de horizon, op al die hoge vulkanen, op de bijna perfect gevormde Licancabur (5915 meter hoog) en de actieve Lascar (5154 meter hoog) die iedere vier jaar tot leven komt. Aan de linkerkant een rotsformatie die op een amfitheater lijkt, beneden enige tientallen mensen die nog door het zand ploeteren. Om precies tien voor zes zakt de zon achter de Cordillera de Domeyko en verandert de kleur van de er tot dan toe wat saai uitziende overkant in rood en violet. ’t Is inderdaad een fraai gezicht en de klim waard. De vreugde is van korte duur, na twintig minuten heeft de schaduw de hoogste toppen bereikt en valt de nacht. Einde van de show, begin van de afdaling, die uiteraard een flink stuk sneller gaat.

Maandag, 21 juni 2004. Gisteravond werd me bij de terugkeer uit de Maanvallei verteld dat de trip die ik vandaag zou willen gaan maken jammer genoeg niet door kon gaan wegens gebrek aan belangstelling. “We hebben minstens vier deelnemers nodig en jij bent tot nu toe de enige.” Dan maar een rustdag inlassen op deze eerste dag van de winter op het zuidelijk halfrond. Ik loop een eind San Pedro uit, de woestijn in. Er heerst absolute stilte, er is werkelijk helemaal niets, maar dan ook helemaal niets te horen. Heerlijk is dat. Geen telefoon, geen vliegtuigen of het nooit ophoudende lawaai van het stadsverkeer, geen zwerfafval, geen vogels, blaffende honden of mensen. En natuurlijk geen luchtvervuiling of vervuiling van de horizon door fabrieksschoorstenen, lelijke hoogbouw of andere staketsels die bij de moderne geïndustrialiseerde wereld horen. Aan de horizon slechts de “cordillera - de bergrug” zoals de Andes hier over het algemeen wordt genoemd. Slechts af en toe verstoort een auto de rust, hetgeen op een bepaalde manier zelfs een amusante afleiding is. Stel je voor: een woestijn waar een gladde asfaltweg doorheen loopt met hier en daar een afslag of een gelijkvloerse kruising. Soms is dat een voorrangskruising waar het rode stopbord “PARE” naast staat, voor de zekerheid is hetzelfde woord ook nog eens groot op het asfalt geschilderd. En wat ik nu zo geinig vind is dat iedere automobilist die in dit volkomen verlaten gebied voorbijkomt, opzichtig uitgebreid stopt en daarna even opzichtig uitgebreid naar links en naar rechts kijkt alvorens de kruising op te rijden. Alsof ze hun rijexamen aan het doen zijn.

Van wat hogerop is erg goed te zien dat San Pedro niet meer dan en kleine oase midden in een oneindige woestijn is. Dankzij het stroompje dat er langs het dorp loopt, groeit er wat taai groen en is er te overleven. Dat stroompje heet groots de Rio Grande en, zo bedenk ik later, die naam is gezien de grote droogte die er alom heerst, eigenlijk wel terecht. In minder dan tien minuten loop je dwars door het dorp heen. Dat doe ik met het idee de woestijn aan de andere kant te gaan verkennen, de rust bevalt me goed. Even voorbij het laatste huis staat een groot bord met ”Control Obligado Aduana a 200mts” erop. Ik weet niet beter dan dat de grens met Bolivia ruim 150 kilometer verderop ligt en doe navraag. Ja dat is zo, maar tussen San Pedro en de Boliviaanse grens woont verder niemand meer. Als ik verder wil lopen, verlaat ik Chili en zou moeten uitstempelen. Mijn paspoort ligt in het hotel en bovendien heb daar nog geen zin in. Met het steeds sterker wordende gevoel dat ik aan het einde van de wereld ben beland, loop ik teleurgesteld terug naar het centrum van het dorp.

Vandaag staan de deuren van de kerk wagenwijd en uitnodigend open. Op deze plek werd op 5 maart 1557 de eerste mis in de streek gelezen. Wanneer het kerkje precies werd gebouwd is niet bekend, maar het ziet er stokoud uit. Het is opgetrokken uit “adobe” stenen, de spanten zijn gemaakt van boomstammen waarop met een soort lange leren veters repen cactus als dakbedekking zijn vast gebonden. Dat geheel is daarna afgestreken met een dikke laag rode klei. Hoewel de zichtbare kanten van de kerk er stralend wit uitzien, zie je aan de achterkant de druipstrepen van het kleien dak langs de muren lopen. Datzelfde geldt overigens voor veel van de huizen in het dorp.

De kerk ziet er van binnen een stuk groter uit dan de buitenkant doet vermoeden, vooral het dak lijkt binnen veel hoger. Het is een door soberheid uitblinkend Godshuis met als enige uitzondering het altaar want daar is van alles te zien. Het lijkt een beetje op een paleis. Het hemelse paleis zo vermoed ik, waarvan de muren wit zijn geschilderd en de pilaren, vloeren en nissen zijn uitgevoerd in koningsblauw. Centraal in de “troonzaal” op de begane grond zit San Pedro (Petrus). Hij is afgebeeld als Paus. Petrus was tenslotte de allereerste die deze in de Rooms Katholieke kerk zo verheven rol op zich nam. In de kamer boven zijn hoofd staat een stralende Maria. Rechts van Petrus een Indiaanse vader en zoon, links een devoot geklede Indiaanse vrouw. Als een soort heiligen op zolder staat links naast Maria haar zoon Jezus met een herdersstaf in de hand en een lam aan zijn voeten. Links van haar een voor mij onbekende in het groen geklede man met een hond aan de voet van zijn bebloede rechterknie. Er is jammer genoeg niemand in de kerk aan wie ik kan vragen wie deze ongetwijfeld vooraanstaande katholieke heilige is.

Ondanks de erg frisse winteravondtemperatuur besluit ik om toch maar min of meer in de openlucht te gaan eten. De patio van het restaurant Casa de Piedra is half overdekt met een strodak, in het open midden brandt een groot houtvuur. De meeste restaurants San Pedro hebben een dergelijke patio. Sommige gasten zitten in een dik winterjack aan tafel, de temperatuur in de woestijn daalt enorm snel als de zon eenmaal onder is. De muzak doet me aan het centrum van Rotterdam denken, waar jarenlang een in rode poncho’s gekleed Zuid-Amerikaans gezelschap “Andesmuziek” stond te spelen. Fluiten, trommels, gitaren en weemoedig teksten, zelfs als je daar niets van begreep. “Dit is muziek van de Boliviaanse hoogvlakte” wordt me uitgelegd, over anderhalf uur treedt een band op. Dat is dus de muziek die ik iedere avond in mijn hotelkamer kan horen. Hetzelfde overkwam me een aantal malen in Lomé, de hoofdstad van Togo, waar mijn geliefde destijds Frans studeerde. Daar hoorden we ´s nachts in haar slaapkamer de gillende akoestische gitaren, de specialiteit van orkestjes uit Zaïre. Het is vanavond veel te koud om op de band te wachten, ik luister straks wel vanuit mijn warme bed.

Bij het reisbureau zijn er nog steeds te weinig aanmeldingen voor de tocht naar de hoog in de bergen gelegen meren. Ik gooi mijn programma nog eens een keer om in de hoop dat er op mijn laatste dag eindelijk genoeg liefhebbers voor de trip zullen zijn. In plaats van woensdag wordt het morgenvroeg een excursie naar de geisers van El Tatio, die op ruim twee uur rijden van en meer dan tweeduizend meter hoger dan San Pedro liggen. “Je moet je warm aankleden hoor, vorige week was het er 19° Celsius onder nul. We halen je om vier uur op bij je hotel!” Volgens mijn Chileense collega’s zou het in de woestijn niet al te koud zijn, dus heb ik geen kleding mee genomen voor zulke lage temperaturen. Gelukkig schiet het echtpaar dat het hotel runt mij te hulp met een zacht roze parka, wanten, shawl en een ijsmuts. Ik vind het allemaal behoorlijk overdreven, maar achteraf zal ik ze ten eeuwige dage dankbaar zijn voor hun spontaan aangeboden hulp.

wordt vervolgd