DAGBOEK CHILI - 1 (20062004)

Het vliegtuig doet er iets meer dan twee uur over om de ongeveer elfhonderd kilometer tussen Buenos Aires en Santiago de Chile te overbruggen. Van de pampa’s aan de Atlantische Oceaan, via de toppen van het Andes gebergte naar een smalle laagvlakte aan de Stille Oceaan. Ontbijten aan de ene kant van Latijns Amerika, een vroege lunch aan de andere kant. Hoe zuidelijker je op het continent komt, hoe smaller de landmassa wordt, hoe sneller de oversteek is. Dit wordt mijn eerste echte bezoek aan Chili. De uren die ik er bijna twee jaar geleden pisco sour drinkend in de lounge van het vliegveld doorbracht, waren slechts een korte kennismaking. Een kennismaking met dé nationale alcoholische versnapering wel te verstaan.

Woensdag, 16 juni 2004.“Onder Salvador Allende was het leven hier ronduit verschrikkelijk: chaos, armoede, grote werkeloosheid. De winkelschappen waren bijna altijd leeg en als de winkels dan eens wat voorraad binnen kregen, stond je uren in de rij. ’t Was net als vroeger in Oost Europa. Zelfs voor een pakje sigaretten stond je in de rij.” Onderweg van het vliegveld van Santiago naar kantoor, krijg ik een gratis college recente Chileense geschiedenis van een praatgrage taxichauffeur. ”Arbeiders waren opgehouden met werken. Zij waren eigenaren van hun fabrieken geworden en verklaarden dat het nu eenmaal niet de gewoonte was dat “bazen” werkten. En dan die gewelddadige protesten waarbij alles dat op het pad van de demonstranten kwam werd vernield. Volkomen zinloos, wie werd daar nu beter van?” Met korte tussenvragen houd ik het gesprek aan de gang, ik ben dol op dit soort informatieve monologen. Zo’n taxirit kan me niet lang genoeg duren.

“Onder Generaal Pinochet kwam er tenminste orde, werd het veilig op straat en had bijna iedereen weer werk. Toen is het economisch herstel begonnen waar we nu nog steeds van profiteren. Je kon weer zonder angst de straat op, tenzij je wat had misdaan, had je niets te vrezen.” “Of tenzij je socialistische of communistische sympathieën had misschien?” probeer ik. Hij geeft toe dat zoiets toen geen pré was. Zo kabbelt het gesprek voort. “Heb je wel een Chileens geld gezien?” Nee, dat heb ik nog nooit, waarop hij me een munt van 100 Chileense Pesos laat zien. “Vind je die niet sprekend op de munt van 1 Euro lijken?” Ik vind het veel meer op een Argentijnse Peso lijken en mompel iets quasi instemmends. Prompt geeft hij mij het geldstuk cadeau “als herinnering aan je eerste bezoek aan Santiago!” Ik vind Chilenen gelijk aardige mensen.

Donderdag, 17 juni 2004. “Restricción vehiculos no catalicos 5 y 6” meldt de televisie. Auto’s zonder katalysator met een kenteken dat op 5 of 6 eindigt mogen vandaag de straat niet op in verband met de luchtvervuiling. Santiago is omringd door bergruggen. Als het windstil is en de bewolking laag hangt, blijven alle vuile uitlaatgassen hangen, vandaar. Het herinnert me aan Lagos, daar mochten op maandag, woensdag en vrijdag uitsluitend auto’s met een kenteken dat op een even nummer eindigde Lagos Island binnen rijden. Niet vanwege de luchtvervuiling, maar omdat het zo druk was in het hartje van de stad dat er gewoonweg niet genoeg ruimte was voor nog meer auto’s. In tegenstelling tot die van Lagos, staat het politiekorps van Santiago bekend als niet omkoopbaar. In Lagos reed ik eens zonder na te denken op een “oneven dag” de verboden zone binnen en werd onmiddellijk door een agent van de verkeerspolitie, een “yellow fever” achterna gezeten. Voor zulk soort gelegenheden had ik altijd wat bankbiljetten in het borstzakje van mijn overhemd zitten om de zaak te sussen.

Vrijdag, 18 juni 2004.De laatste werkdag van de week in een wat saai kantoor. Aardige collega’s, maar de kunst die in de directievleugel hangt stoort me. Het zijn de meest fantasieloze doeken die ik in lange tijd heb gezien. Waarom heeft de Chileense dochter van de Koninklijke in vredesnaam overal schilderijen van olievaten hangen? Is het de opperste vorm van loyaliteit aan “ons product” of is het een totaal gebrek aan fantasie? Het enige tegenargument voor dit laatste zou kunnen zijn dat de vaten tenminste niet “onze” rood en gele kleuren hebben. ’s Avonds eten we in wat het beste als een “restaurantcentrum” kan worden beschreven. Een winkelcentrum waarin uitsluitend restaurants zijn gevestigd. Je kan het zo gek niet bedenken of je kunt het er eten. Wij gaan naar een visrestaurant. Langs de duizenden kilometers lange kustlijn van Chili wordt vast en zeker veel vis gevangen. Als de ober als specialiteit “tonijn van de Paaseilanden” opnoemt, ben ik gelijk verkocht.

Zaterdag, 19 juni 2004.Het is gisteravond veel te laat geworden. Te veel gegeten en te veel pisco sour en Chileense witte wijn gedronken. Als de receptie van het hotel me om vijf uur wekt, ben ik daar niet echt blij mee. Ik heb een vroege vlucht naar het noorden geboekt en helaas is het niet gebruikelijk dat vliegtuigen wachten op passagiers die graag wat langer zouden willen slapen. De vlucht vertrekt stipt om kwart over acht. Vanuit de lucht is goed te zien dat Santiago in een soort grote duinkom ligt, een sterk vergrote duinkom uiteraard, waarbij men zich bergen en bergjes in plaats van duinen moet voorstellen. De stad is niet te zien want de kom is helemaal afgedekt door laaghangende bewolking waar alleen de hoogste toppen bovenuit steken. Gek te bedenken dat daaronder een stad met vele miljoenen inwoners ligt verborgen.

Mijn reisdoel is het noordelijk woestijngebied van Chili, een van de droogste gebieden ter wereld. Ik krijg een voorproefje hoe groot die woestijn wel moet zijn als het vliegtuig een tussenlanding maakt in Antofagasta. Na twee uur lang niets anders dan wolken te hebben gezien, komt er vlak voor de landing een enorme lege zandvlakte in zicht. Totaal verlaten, geen mens of dier te zien en helemaal kaal, daarna wordt het alleen maar erger. Eenmaal weer in de lucht begint ook de vulkanische oorsprong van het gebied goed zichtbaar te worden. Zeer oud vulkanisch, de uitlopers van de 20 miljoen jaar oude Andes. Veel afgesleten gestolde lavastromen en droge rivierbeddingen. Naarmate we verder landinwaarts, richting Calama en de Andes vliegen, klimt het terrein en wordt het steeds meer geaccidenteerd. Calama is een mijnstadje waar, onzichtbaar voor de buitenwereld, de grootste kopermijn ter wereld ligt. Het stadje is niet mijn einddoel, het heeft gewoon het vliegveld dat daar het dichtste bij ligt. De chauffeur die mij zou moeten opwachten om door te reizen naar het 105 kilometer verderop gelegen San Pedro de Atacama laat helaas verstek gaan. Een collega biedt me plaatsvervangend vervoer aan “we zijn een grote familie in San Pedro!” Als we op het punt staan weg te rijden. verschijnt er een redelijk aftands busje. Op de achterklep staat groot “kamikaze” en het is natuurlijk mijn chauffeur.

Kilometerslang is de tweebaansweg kaarsrecht. Slechts heel af en toe dwingt de natuurlijke formatie van het terrein tot een bocht. We klimmen geleidelijk tot 3400 meter boven de zeespiegel. Wolkenloze blauwe hemel, links en rechts kurkdroge woestijn. Er groeit helemaal niets. Na een poosje begint het me op te vallen dat er langs de weg veel minuscule gedenktekentjes staan. “Polderblindheid!” schiet er door me heen. “Gebeuren hier veel ongelukken?” vraag ik. “Nee, juist weinig. Wat wél vaak gebeurt is dat een chauffeur in slaap sukkelt door de eentonigheid en de warmte en dan van de weg raakt.” Hoe dichter we bij San Pedro komen hoe interessanter het landschap wordt. De vulkanen van de Andes worden steeds groter, we passeren een oneindige zoutvlakte en rotsformaties met de grilligste vormen. “Dit is de Dinosaurussenvallei” meldt Roberto. Met flink wat fantasie kan je er inderdaad een verzameling versteende dinosaurusruggen in zien. “Bienvenido a San Pedro de Atacama, 4970 hbts - Welkom in San Pedro, 4970 inwoners” we zijn in mijn uitvalsbasis voor de komende dagen gearriveerd. Een groot dorp “in de middle of nowhere.” Het agentschap van het reisbureau vindt dat ik vanmiddag al een bezoek aan de Valle de la Luna - de Maanvallei moet gaan brengen. Daar heb ik even geen zin in, ik wil het dorp gaan verkennen en naar Nederland - Tsjechië kijken. Morgen dan maar? Morgen dan maar!

Mijn hotel ligt aan de buitenkant van San Pedro, maar desalniettemin op loopafstand van het centrum. Al spoedig zal ik ontdekken dat dit geldt voor waar je of gaat of staat. Er is geen hoogbouw, het enige gebouw met twee verdiepingen is het politiebureau en uiteraard steekt de kerktoren overal bovenuit. De straten zijn smal, niet geasfalteerd of bestraat en dus stoffig. Auto’s mogen niet harder dan 20 kilometer per uur rijden om niet te veel stof op te doen waaien, bewoners en winkeliers sprenkelen af en toe water op het zand om dat te voorkomen. Langs de hoofdstraat veel restaurants en reisbureautjes waar soms huis aan huis voor dezelfde prijs excursies naar dezelfde bestemmingen worden verkocht. Veel rugzaktoeristen en hostels voor de reiziger met een klein budget. Winkels waar mountainbikes en surfborden worden verhuurd, vanaf de hoge zandduinen in de woestijn schijnt je lekker te kunnen zandsurfen. Straathoeken zijn de hangplekken van warm geklede mannen. De gevels van de veel huizen worden gewit, de bevolking maakt zich op voor het feest van San Pedro, de beschermheilige van het stadje, dat over een week op de heiligenkalender staat. Er blijken zowaar twee geldautomaten in het dorp te zijn. Om de hoek van het hotel in een internetcafé is het geld op. Op het dorpsplein staat een heel aparte bank, die bestaat uit een vrachtauto met satellietschotel op het dak en een ingebouwde geldautomaat. Het werkt perfect, ik kan er gewoon geld van mijn Braziliaanse rekening opnemen en gelijk beginnen met het uitgeven ervan.

Aan een uiteinde van de Plaza ligt het archeologische museum dat is vernoemd naar de Belgische jezuïet Gustave Le Paige. Waarom dit in 1963 opgerichte museum zonodig naar een Belgische SJ moest worden vernoemd, wordt niet duidelijk. Het is best een aardig museum, maar het zou veel meer dan aardig kunnen zijn. De collectie zou 380 duizend stukken groot zijn en is zeer gevarieerd. De bezoeker wordt in vogelvlucht mee genomen door de tienduizenden jaren historie van de streek. Dit gebeurt aan de hand van de qua grafische vormgeving uiterst lullige beschrijvingen en de veel mooiere archeologische vondsten zelf. En er is iets ernstig mis met de verlichting, slechts af en toe een peertje dat het doet. Men moet het doen met het weinige licht dat hier en daar door een raampje in het plafond valt. Het ontmoedigt me niet. Vuurstenen, prachtig aardewerk van zeer primitief naar prachtig gedecoreerd, Inca goud dat glimt ondanks dat het in een echt helemaal donkere kamer wordt geëxposeerd, primitieve maar uiterst functionele slijpstenen van 5 duizend jaar voor onze jaartelling, een ronde uitgeholde rode steen is een vijzel om granen tot meel te vermalen, een grote aardewerken urn die werd gebruikt om de doden te begraven met de gemummificeerde overledene er nog in. Tenslotte heeft het museum een flinke collectie gebruiksvoorwerpen die waren bedoeld om hallucinerende middelen tot zich te nemen. Voor de liefhebber van een snuifje cocaïne een ware lusttuin van hulpstukken: kleine houten plankjes met mooi gesneden handgreepjes en snuifrietjes van hout, bamboe, metaal en dierlijk bot. “Voor ceremonieel gebruik” staat erbij en “bij sommige indianenstammen in afgelegen gebieden in Brazilië bestaan deze gebruiken nog steeds.”

Tijd om in mijn hotel naar het Nederlands voetbalelftal te gaan kijken. Een snelle voorsprong wordt verkwanseld en onze nationale trots is hoogstwaarschijnlijk uitgeschakeld. Had uiteindelijk toch maar beter naar de Maanvallei kunnen gaan.

wordt vervolgd