|
AY JUANCITO (13062004) In Buenos Aires hingen deze week opeens overal affiches die de première van de film “Ay Juancito” aankondigden. Als Evitafanaat begreep ik gelijk dat deze film over Juan Duarte moest gaan, de broer van Eva Perón. In de krant van zaterdag stond een korte recensie waarin de film nou niet bepaald om zijn cinematografische kwaliteiten werd geroemd. Ook werd er ernstig getwijfeld aan de historisch juiste weergave van de feiten. Maar, zo luidde de aanbeveling tenslotte, men zou de film misschien louter “uit nieuwsgierigheid” moeten gaan zien. Het is winters koud, eigenlijk heb ik geen zin om de deur uit te gaan. Wij wonen echter op loopafstand van de Calle Lavalle, een straat met veel bioscopen. De gedachte dat daar een film is te zien die met Evita heeft te maken, dwingt me de straat op, zo´n film moet ik hoe dan ook gaan zien. De zowat twee uur durende film is al drie kwartier bezig als ik me bij de megabioscoop “Monumental” meld. Om de tijd tot aan de volgende voorstelling te doden, ga ik bij een platenwinkel naar CDs luisteren. Naar “Tangoloco” electronische tango van Daniel Garcia en naar het voor de klassieke tangoliefhebbers nog veel ergere “Tango Electrónico” van DJ Tango Sergio Villar. Te gekke versies van “la Comparsita” en “el Choclo” met Carlos Buono op de gillende bandoneon en een drumcomputer die een paar honderd beats per minuut slaat. “Cacerolazo” is het nummer dat me helemaal in de stemming voor de film brengt. Een tango met geram van pollepels op deksels en pannen en een achtergrondkoortje dat wildenthousiast “Argentina, Argentina” scandeert. Zo namen de peronisten ruim twee jaar geleden de macht over. Het is voor het eerst sinds we in Argentinië wonen dat ik naar de bioscoop ga. Ik heb een hekel aan de nagesynchroniseerde films die hier normaliter worden vertoond. Ronduit verschrikkelijk om bekende acteurs met de stem van een ander Spaans met een veelal Mexicaans accent te horen spreken. Zaterdag en zondag zijn de dure dagen. Een kaartje kost dan 7 Pesos en 50 centavos, iets meer dan twee Euro’s. Op doordeweekse dagen mag je er voor 5 Pesos of minder naar binnen. De jongen aan de kassa hoort direct dat ik buitenlander ben en waarschuwt “Het is een Argentijnse film hoor!” Goed bedoeld advies, hij wil mij ongetwijfeld een teleurstellende avond besparen, maar daar is meer voor nodig. Ik bijt gewoon door en behoor daarmee tot een exclusieve groep. De enorme ondergrondse zaal, die plaats biedt aan ongeveer zeshonderd cinefielen, ligt er vijf minuten voor het doek opgaat nog akelig verlaten bij. Slechts een paar toeschouwers druppelen er naar binnen, ik tel er uiteindelijk precies twintig. Op het doek verschijnt de mededingen dat de personages in de film op echte personen zijn gebaseerd, maar dat het verhaal verder fictie is. Een goed begin, is het halve werk. Juan Duarte was dankzij zijn beroemde zus en zwager een belangrijk man geworden. Van ambulante zeepjesverkoper in het provinciestadje Junin had hij het tot privé-secretaris van President Perón geschopt. Hij bepaalde min of meer wie naar binnen mocht in het Casa Rosada. Juancito wordt in de film geportretteerd als een onvermoeibare rokkenjager die het vooral op mooie actrices had voorzien. Via zijn bed maakten ze carrière en als ze niet wilden dus niet. Hij maakte stevig misbruik van zijn bevoorrechte positie om corrupte zaken te doen die hem in staat stelden er een elegante levensstijl op na te houden. We zien hoe de Argentijnse vleesexport naar de USA wordt beklonken met een stevige wip op zijn bureau. “Met vrouwen is het goed zaken doen!” Hij adoreerde Evita en Evita hield Juancito, het verkleinwoord voor Juan, uit de wind. “Ay Juancito - Janneman toch!” Juancito zit huilend op zijn knieën aan het doodsbed van Evita en roept pathetisch “God bestaat niet” als zij haar ogen voorgoed heeft gesloten. De “mequetrefe” oftewel de non-valeur, de nietsnut zoals Juancito in een zondagskrant wordt gekarakteriseerd, komt daarna zelf ook snel aan zijn einde. Het rokkenjagen heeft hem syfilis bezorgd. Als dat wordt vastgesteld, is de ziekte al te ver gevorderd om nog te kunnen worden genezen. Tot overmaat van ramp klaagt een willige, maar door Juancito afgewezen actrice hem zeer publiekelijk aan wegens zijn corrupte praktijken. Perón ontslaat hem. In april 1953, negen maanden na het overlijden van zijn zus, jaagt hij zichzelf een kogel door het hoofd, hoewel zijn familie zal volhouden dat hij werd vermoord. Exit Juancito. De film eindigt zoals die begon. Op een dienschaal wordt een met een servet bedekt “iets” een kantoor binnen gedragen. Daar wordt een voormalige zakenpartner van Juancito verhoord, men probeert achter het nummer van diens Zwitserse bankrekening te komen. Het verhoor vlot niet erg, het servet wordt gelicht, op de schaal staat het hoofd van Juancito. Het mag niet baten, de kokhalzende man weet het kennelijk echt niet. Het doet me sterk aan een bijbels verhaal denken, maar ik kan me niet herinneren welk. Weer thuis zap ik langs de ruim 80 kanalen die wij via de kabel ontvangen. Tot mijn verrassing vertoont de zender “Volver” scènes die ik een half uur geleden nog in de bioscoop zag. “Achter de schermen van…” Héctor Olivera, regisseur en mede auteur van het draaiboek, geeft uitleg. Het slot is opgenomen voor de grafkamer van de Familie Duarte op de begraafplaats van Recoleta. “Weet je wat ik me afvraag” zegt ie “of hier nu alleen zijn lichaam is begraven of dat het hoofd ook is bijgezet.” Diezelfde vraag speelt door mijn hoofd als ik op zondag het graf van Juancito en Evita bezoek. Het is erg rustig, ik ben de enige bezoeker. Uit nieuwsgierigheid ga ik wel eens grafkamer in waarvan de deur toevallig open staat, die van de Duartes zit echter stevig op slot. Ay Juancito, wat jammer nou. |