HEIMWEEWANDELING (10022004)

“Hebben jullie nu nog niet gegeten? Het is toch al bijna zeven uur in Nederland!” In de lounge van het vliegveld Heathrow hoor ik dit op verwijtende toon gevoerde gesprek aan. Aan de afwas had ze moeten staan. Of beter nog, de afwas had al afgedroogd in de kast moeten staan! Om half zes of zes uur aan tafel is een van die keiharde vaderlandse wetten. Tegen die wetten zondigen wij al jaren. Mijn geliefde en ik genieten meestal tussen half acht en acht uur van ons avondmaal, waarmee we op onze beurt weer uit de pas lopen met onze tijdelijke landgenoten. In Buenos Aires eet men pas tegen tienen of zo.

Nee, heimwee naar vroeg aan tafel heb ik zeker niet. In mijn koffer zal men evenmin drop, hagelslag, pindakaas of andere “onmisbare” vaderlandse lekkernijen aantreffen. Soms neem ik nasikruiden mee of hacheekruiden, meer niet. Eens in de zoveel maanden heb ik opeens trek in iets heel erg Nederlands. Dan sta ik bij tegen de 40 graden Celsius hutspot te maken of hachee of iets dat op andijviestamppot, koolraapstamppot of andere Nederlandse winterkost lijkt. Heimweemaaltijden. Dit weekeinde vroegen mijn Rotterdamse buren me mee te eten. Eerst weigerde ik, maar hoe kan je nu hutspot met een blinde vink en een gehaktbal afslaan als er koude regen valt en de temperatuur tegen het vriespunt aanleunt?

Zo heb ik ook een Rotterdamse heimweewandeling. Dan loop ik door de stad en haal herinneringen op aan vroeger of aan landen waar we hebben gewoond of aan Buenos Aires, waar we nu wonen. Die route is als volgt. Vanaf onze flat naar de Nieuwe Binnenweg. Via de Breitnerstraat. Daar woonden op de hoek met de Mathenesserlaan mijn oom Jan en tante Froukje, de jongste zus van mijn grootmoeder. Toen mijn ouders in Rotterdam gingen wonen, mocht ik op de vrije woensdagmiddag het roze DAFje van mijn tante wassen en verdiende zo wat zakgeld. Maar bovendien kreeg ik als het karwei was geklaard een kogelflesje Coca Cola. Bijna champagne in de tijd dat het drinken van kraanwater nog heel gewoon was.

Op de hoek van de Nieuwe Binnenweg met de Gouvernestraat staat een huis met een torentje. Dat herinnert me aan Buenos Aires waar veel statige oudere huizen een “mirador - een uitkijktorentje” hebben. Dit Rotterdamse torentje kan er mee door. Het is in ieder geval veel beter dan de twee op de hoek van de Mathenesserlaan en de ‘s Gravendijkwal. Ik ben al een jaar bezig iedere mirador die ik in Buenos Aires tegenkom te fotograferen. In Rotterdam kijk ik nu ook omhoog als ik door de stad wandel. Zo heb ik inmiddels ontdekt dat er veel meer torentjes zijn dan ik me kon herinneren.

Aan het eind van de Nieuwe Binnenweg linksaf. Daar staan op de Westersingel beelden langs het water. Als eerste “l’Homme qui marche” van Rodin. Zo´n naakte man zonder hoofd in een winterse stad vind ik wat wreed. Ik zou hem een jas aan willen trekken, zo’n dikke jas die Sarmiento in het zomerse Buenos Aires wél aan heeft. Het beeld van de oud-president staat in het stadsdeel Palermo en werd in opdracht van de Gemeente Buenos Aires door Rodin gemaakt. Vlakbij het Congresgebouw staat een kleine onopvallende “Penseur.” Het Nationaal Museum voor Schone Kunsten heeft een aardige collectie kleine Rodins, waaronder de beroemde, maar wat schandaleuze, “la Main de Dieu - de Hand van God.” Kanaal 83, de cultuurzender van de Argentijnse hoofdstad, zou Rodin vast “heel erg Buenos Aires” noemen.

Eind Westersingel linksaf de Kruiskade op. Daar dringt Afrika mijn ogen, oren en neusgaten binnen, met enige regelmaat vergezeld door de pittige geur van marihuana. Hier koop ik voor mijn geliefde Afrikaanse schoonheidsproducten. In Argentinië, het blankste land ter wereld, zijn die niet te koop. Het is wat vervreemdend om op een winterse zaterdag zwarte mensen met bontjassen aan en ijsmutsen op te zien lopen. Dat zou moeten worden verboden. Afrikanen horen er immers kleurrijk gekleed en opgewekt lachend uit te zien? Kou kleumen past absoluut niet bij hen! Ik zou hier eigenlijk alleen maar in de zomer moeten wandelen. Voor veel winkels staan er kisten met groenten en fruit op de stoep: oranje en rode pepers, maniokknollen, bakbananen, kalebassen en sweet potatoes. Pikante herinneringen aan Gabon en Nigeria, waar ik “hete” schotels heb leren eten, strijden om voorrang. Hoewel de kalebas juist weer een Argentijnse ontdekking is. Daar hebben we de lekkere puree die van de binnenkant van deze vrucht kan worden gemaakt, leren kennen.

Nogmaals linksaf, terug naar de ´s Gravendijkwal. Veel statige oude huizen hebben hier nog voordeuren met klassieke hekjes, die vaak mooie traliewerkjes die de ramen in de deur beschermen. Helaas worden er steeds meer aan de modernisering opgeofferd. De hekjes zijn wat petieterig in vergelijking met die in Buenos Aires, waar de afmetingen van de deuren van oudere huizen soms gigantisch zijn. Het kan er mee door, hoewel er af en toe huis na huis hetzelfde hekje op de deur zit. Wat verder opvalt is dat er gewoon kartonnen dozen bij het afval staan en dat die er ook gewoon blijven staan tot de vuilnisman langs komt. In Buenos Aires zou het karton al lang door “cartoneros - werkloze kartonophalers” zijn ingepikt. Vlak om de hoek staat de oude Hoogere Burgerschool met het standbeeld van van ’t Hoff ervoor. Hier ging ik een paar jaar naar het avondlyceum en later had een bevriende kunstenaarzijn atelier in mijn oude klaslokaal. Zoete herinneringen, zoet genoeg om de afstand van Rotterdam naar Buenos Aires, ons thuis ver van huis, een flink stuk kleiner te maken.