DAGBOEK RIO DE JANEIRO - 1 (0801004)

São Paulo is een eindeloze stad. Iedere keer als ik er met een vliegtuig land, blijkt de stad nog verder te zijn gegroeid. In de hoogte, vooral in de hoogte, maar ook in de lengte en in de breedte. Het aantal dicht op elkaar staande hoge flatgebouwen is ontelbaar, veel heuvels zijn met illegale woningen begroeid in plaats van met groen. ‘s Nachts branden er lichtjes tot aan de horizon. São Paulo is na Mexico City kennelijk de grootste stad ter wereld. Er wonen bijna net zoveel mensen als in Nederland en Vlaanderen samen. Als je er nog nooit bent geweest, is het waarschijnlijk moeilijk voor te stellen hoe dat is. Ik kwam er wel eens toen ik in Brazilië werkte en vond het ronduit een rotstad. Een gigantische gewelddadige mierenhoop vol stank en lawaai. Nee, dan Rio de Janeiro, een klein uurtje vliegen verderop, dat is pas écht een eindeloze stad.

Zaterdag, 27 december 2003. Niet dat Rio minder gewelddadig zou zijn. “Verboden toegang voor personen die wapens bij zich dragen” waarschuwt een bordje aan de receptiebalie van Hotel Imperial, onze tijdelijke verblijfplaats. We nemen het op de koop toe. Uit ervaring weten we dat het rond oud en nieuw vrijwel onmogelijk is om op korte termijn een betaalbare hotelkamer in de stad te vinden. Hoewel het hotel verre van keizerlijk is, is best redelijk. Het ligt in het stadsdeel Catete schuin tegenover het voormalige presidentiële paleis. Sinds de Braziliaanse hoofdstad naar Brasilia werd verplaatst, is daar het Museo da República in gevestigd en is het fraaie park opengesteld voor het publiek.

We kleden ons snel om in ons Rio tenue: T-shirt, halflange korte broek en gympen. Het goud en de horloges gaan in het kluisje van de hotelkamer. Kameleongedrag. Is het je aanpassen aan de omgeving niet het geheim van het overleven in de jungle van een vreemde grote stad? Voor het eerst sinds we eind april 2001 richting Buenos Aires verhuisden, wandelen we door de straten van Rio de Janeiro. Op de trottoirs van de Rua do Catete is zowel de legale als de illegale straathandel nog volop aan de gang. We kijken wat rond en besluiten om in een kilorestaurant te gaan eten. Bord vol scheppen en laten wegen. De prijs van de maaltijd is het gewicht maal de eenheidsprijs die het restaurant per honderd gram voedsel rekent. Zeer populair in Rio. Na de maaltijd klinkt er sambamuziek op straat. De hoek van de Rua do Catete en de Rua Buarque de Macedo is door buurtbewoners in een openluchtbar veranderd. Er speelt een kleine sambaband. “Pagode” heet dat hier. De band speelt populaire deuntjes die door de omstanders worden meegezongen. Er wordt gedanst. Overdwars in tweeën gezaagde oliedrums zijn tot barbecues omgetoverd “de keuken.” Uit gigantische koelboxen wordt bier en frisdrank geserveerd “de bar.” Ondanks het armoedige uiterlijk van de drinkende, dansende en zingende barbezoekers, bouwen die op een donkere straathoek uit het niets een lekker feestje. We voelen ons in een klap weer thuis. Dit is het Brazilië dat we onbewust hebben gemist.

Zondag, 28 december 2003. We zijn vergeten hoe warm de Braziliaanse zomer kan zijn. “Wat is het hier warm, het lijkt Lagos wel” klaagt mijn geliefde. Na een dik uur wandelen beginnen mijn benen langzaam maar zeker zwaarder te wegen. Zoals zo vaak, lijd ik in stilte. En dan te bedenken dat wij Rio toen we hier woonden “Frio de Janeiro” noemden omdat het er zoveel koeler aanvoelde dan de Afrikaanse tropen.

Voor vandaag hebben we Niterói en Jurujuba, op de andere oever van de Baai van Guanabara, op het programma staan. Onze eerste stop is bij het door Oscar Niemeyer ontworpen Museum voor Hedendaagse Kunst. Daar heb je een prachtig uitzicht op Rio. Op Flamengo, op de Corcovado met het gigantisch beeld van Christus die over de stad waakt en op de Pão de Açúcar, het Suikerbrood. Ook dat waren we vergeten, hoe magnifiek het landschap is, veel mooier dan waar ook ter wereld. Het gaat ons om het museumgebouw zelf, niet om de inhoud. Het is een spectaculair ontwerp dat door de plaats waar het is gebouwd, op een uitstekende rotspunt hoog boven het water, de indruk geeft dat het een vliegende schotel is. Af en toe ging ik er met een collega naar toe, hoewel we van te voren vrijwel zeker wisten dat het vergeefse moeite zou zijn. “Nice hardware, lousy software” placht deze Braziliaan tegen mij te zeggen. Oftewel “een prima gebouw met een waardeloze collectie.” Ongelijk heb ik hem nooit kunnen geven. De gemeente Niterói is zo in haar schik met het museum, dat het een schetsje dat Niemeyer er van maakte tot het logo van de stad heeft verheven. Waar je ook gaat of staat in de stad kom je het tegen.

Ons einddoel is het restaurant Berbigão in Jurujuba - especializado em frutos do mar. Zeevruchten dus. We bestellen het garnalengerecht “bobó de camarão” en “calderão” een brouwsel waar van alles en nog wat aan vis, garnalen, inktvis en dat soort lekkernijen inzit. Hier gingen wij vanuit Leblon, waar we woonden, eens in de twee of drie weken op zaterdag lunchen. Buiten op het terras hebben we uitzicht op de baai waarin de vissersbootjes lui liggen te dobberen. Ondanks de hogere temperatuur is het daar veel beter toeven dan binnen in de airgecondicioneerde maar saaie eetzaal. We genieten van het eten en de sentimental journey!

Maandag, 29 december 2003. De kerk van Nossa Senhora da Glória do Outeiro - Onze Lieve Vrouw van Glória staat op een zeer zichtbare plaats in het gelijknamige stadsdeel. Zoals zoveel kerken die in de 17e en 18e eeuw in Brazilië werden gebouwd, gebeurde dat op het hoogst bereikbare punt in de buurt. Er moest tegen God’s vertegenwoordiging op aarde worden opgezien! Jarenlang reed ik een paar keer per week langs de Praia do Flamengo en keek tegen het opvallende kerkje op. Dat was niet alleen omdat het overal bovenuit stak, maar vooral omdat het qua architectuur zo uit de toon viel. De andere gebouwen in de buurt waren overduidelijk pas honderden jaren later gebouwd. Gisteravond keken we vanuit de daktuin van één van die gebouwen tegen de verlichte kerk op. Vandaag beklimmen we heuvel om het van nog dichterbij te gaan bekijken. ‘t Is meer een kapel dan een kerk en hoewel gebouwd in dezelfde stijl als de mooie barokkerken van Minas Gerais, is het een bijna Calvinistische versie Geen uitbundige decoraties aan de buitenmuren, binnen geen schilderijen of met bladgoud beklede altaren en heiligenbeelden. Slechts het beeld van Nossa Senhora is zo te zien met bladgoud bedekt, de twee andere heiligenbeelden die de kerk rijk is, zijn zeer sobere houten beelden. Er is hooguit plaats voor honderd mensen in de kerk, boven de hoofdingang is een lelijk modern pijporgel gebouwd dat volkomen uit de toon valt. Wij zijn de kerk via de aan de achterkant gelegen sacristie binnen gekomen, daar zijn er twee korte gangen die naar de kerkruimte leiden. De muren van de gangetjes zijn mooi betegeld met blauw-witte tegels. Aan beide kanten van een wastafel zijn handdoekenrekjes bevestigd. Boven de ene hangt het bordje “voor de mis” en boven het andere “na de mis.” Als niet katholiek word ik hier met de vraag opgezadeld. “waarom moet de voorganger zijn handen voor en na de mis met een andere handdoek moet afdrogen?”

’s Avonds helpt mijn geliefde vrienden met het vinden van een toepasselijke Afrikaanse naam voor hun aanstaande baby. “God’s wens” in het yoruba klinkt zonder meer erg mooi. We verlaten een zeer gelukkige aanstaande vader in de wetenschap dat de gekozen naam precies betekent wat hij graag wilde en dat dit door iemand die de taal door en door kent, is bevestigd.

Dinsdag, 30 december 2003. Vandaag trouwt onze neef Arjan en krijgen wij Pien er officieel als nichtje bij. Arjan heeft veertien jaar in Rio gewoond en zowel Pien als hun zoontje Pieter zijn er geboren. In welke andere stad zou je in zo’n geval moeten trouwen? Ronald Brouwer, de Consul Generaal van het Koninkrijk der Nederlanden, fungeert als ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Hij heeft, in mijn ogen, de werkkamer met het mooiste uitzicht van de Nederlandse diplomatieke dienst. Als hij dat zou willen, zou hij de hele dag de Pão de Açúcar - het Suikerbrood kunnen bekijken. Hij bezweert ons met de hand op zijn hart dat de zonnegordijnen alleen maar voor deze gelegenheid zijn geopend en verder altijd gesloten zijn. Omdat de huwelijksaankondiging minder dan twee weken geleden werd verstuurd, zijn er weinig gasten van overzee. Zijn vader, haar moeder, hun zoontjes Douwe en Pieter. Mijn geliefde en ik wonen relatief vlakbij. Samen met de vier getuigen en een handvol in Rio wonende vrienden vullen wij en het bruidspaar het kantoor van de Consul. Voor hen die niet aanwezig kunnen zijn, waaronder Arjan’s boze zusjes, is een weblink opgezet om de ceremonie toch min of meer bij te kunnen wonen. Het geluid wordt via mobiele telefoons uitgezonden. Pieter Jan, de vader van de bruidegom, maakt namens zijn dochters bezwaar tegen het voorgenomen huwelijk. Niet omdat hij het feest wil bederven. Hij stelt voor de meegebrachte champagne op te drinken en vanavond met elkaar uit eten te gaan, maar het huwelijk zou beter over een week of wat in Nederland moeten worden gesloten. Zeer terecht verklaart de Consul zijn bezwaren ongegrond..

Het is een buitengewoon ontspannen en informele plechtigheid, die deze naam nauwelijks verdient. De Consul heeft een spiekbriefje dat hem door de stappen van de procedure helpt. Hij vertelt me dat er gemiddeld één huwelijk per jaar op het consulaat wordt gesloten, vandaar. De vijfde stap luidt: “Indien de jonggehuwden ringen wensen uit te wisselen, doen zij dat op dit moment, terwijl ze nog staande zijn. De Ambtenaar van de Burgerlijke Stand geeft slechts gelegenheid tot het uitwisselen van de ringen, doch onthoudt zich van iedere inmenging.” Ronald houdt zich keurig aan deze richtlijn, Douwe neemt de honneurs van bruidsjonker waar en tovert de gouden ringen tevoorschijn. De achtste en op papier laatste aanwijzing is “Hiermede is het huwelijk voltrokken, doch in vele gevallen zal de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand nog een korte toespraak houden, waarvoor geen regels kunnen worden gegeven.” Gelukkig maar, originaliteit en spontaniteit horen niet thuis in de ambtelijke regels. De échte laatste aanwijzing hebben de Haagse regelneven vergeten op papier te zetten, dus geven wij die “Champagne!”

Na afloop gaan we gaan met een bus naar het restaurant Barreado in Vargem Grande, dat een flink stuk rijden buiten de stad ligt. Het restaurant is gevestigd in een kopie van een groot Indianenhuis zoals dat nog in het Amazonegebied te vinden is. Onder een enorm rond rieten- of grasdak is een flinke bar gebouwd, de keuken en toiletten liggen aan de buitenkant, net zoals de dansvloer. We eten en drinken en we zijn zo druk met elkaar in gesprek dat de leden van de band de enigen zijn die af en toe eens over de dansvloer lopen. Als we ons opmaken om terug naar Rio te gaan, onthult een van de gasten aan mijn geliefde dat het restaurant als decor heeft gediend voor een aantal scènes van de film “Women on top.” Wij hebben die film, met Penelope Cruz in de hoofdrol, al een paar keer gezien en vinden het een erg leuke film. Het nieuwtje verwart ons enigszins. De film begint en eindigt in Salvador de Bahia en niet even buiten Rio. Yemanjá, de Godin van de Zee en de aan haar toegeschreven mystieke krachten spelen een belangrijke rol in het verhaal. Heel toepasselijk allemaal op de voorlaatste dag van het jaar. Wij weten uit eigen ervaring dat er morgen, op oudejaarsdag, in Rio uitgebreid aan Yemanjá zal worden geofferd.

wordt vervolgd