|
IN MEMORIAM MENEER PRINS - 4 JULI 1911 - 8 JANUARI 2004 (1101004) Eergisteren ontvingen wij het bericht dat onze Rotterdamse buurman Meneer Prins was overleden. Kort voordat hij stierf, was hij afscheid aan het nemen en had nadrukkelijk gevraagd om de groeten te doen aan mijn geliefde en mijzelf. Wij lazen het nieuws met gemengde gevoelens. Af en toe hadden wij de indruk dat Meneer Prins, dik in de 90, het leven wat vermoeiend vond worden. Niet omdat hij niet fit was. Wat mij betreft, viel hij in de categorie “piepende wagens lopen het langst” en had minstens 100 jaar oud kunnen worden. Het was wat lastig dat hij een huidaandoening had waarvoor hij UV stralen moest mijden. De ramen werden van een UV stralen werende laag voorzien. Of het nu zomer was of winter, als hij naar buiten wilde, moest dat met een hoed op, handschoenen aan en zijn gezicht moest voor dat hij de deur uit mocht met een beschermende zalf worden ingesmeerd. Het was wat ongemakkelijk, maar naar buiten ging hij. Wij ontmoetten elkaar toen we een jaar of tien geleden ons pied à terre in Rotterdam kochten. Omdat wij zelden in Nederland zouden zijn, bood Meneer Prins aan op onze flat te passen en de post door te sturen. Wanneer we in Rotterdam waren, dronken we thee en praatten bij. Meneer Prins had bijzondere verhalen te vertellen over het bombardement van Rotterdam en over de oorlogsjaren, toen hij en zijn vrouw waren ondergedoken. Nooit zal ik vergeten hoe hij op een middag met hoog rood gezicht bij ons aanbelde. Hij was echt helemaal over zijn toeren en moest met iemand praten. In de kelder had hij tientallen jaren lang dozen bewaard met een soort familiearchief, dat hij bewust nooit had willen bekijken. Nadat een familielid was begonnen met het opschrijven van de familiegeschiedenis had hij eindelijk de moed verzameld om die papieren te voorschijn te halen. En toen kwamen de herinneringen terug. Zijn ouders, die als ik me goed herinner, aan de Crooswijksesingel hadden gewoond, waren in 1943 door de Duitsers opgepakt, afgevoerd en nooit terug gekeerd. Het Rotterdamse energiebedrijf had tot aan die dag het gas- en elektriciteitsverbruik tot op de laatste kubieke meter en kilowatt bijgehouden. Het moet in 1946 of 47 zijn geweest dat ze de “erfgenamen” hadden gevonden en de onbetaalde rekening kwamen innen. Hij had zonder te protesteren betaald, maar was 50 jaar later opnieuw buitengewoon ontdaan en verontwaardigd. En ik met hem. Meneer Prins had uit voorzorg een flink bedrag aan contant geld in huis “Als ik dat in mei ’40 zou hebben gehad, hadden we weg kunnen komen!” Zijn oudste zoon had hem er ten lange leste van overtuigd dat hij het geld beter op de bank zou kunnen zetten. Toen hij zijn belastingaangifte had ingevuld, had hij keurig zijn flink hogere banksaldo opgegeven. Dit was voor een jonge ambtenaar aanleiding om uitleg te vragen over de herkomst van het geld. Die uitleg was met enig cynisme aangehoord. Een oudere ambtenaar had, gelukkig maar, zijn verhaal vol begrip aangehoord en zijn jongere collega opgedragen het dossier te sluiten. Uit verveling was hij tijdens de oorlog iets met vreemde talen gaan doen. Hij en zijn vrouw zaten ondergedoken bij de eigenaresse van een Instituut waar men steno en typen en vreemde talen kon leren. Al doende ontwikkelde hij zijn eigen methode om buitenlanders Nederlands te leren spreken en schrijven. Ook wij hebben daarvan geprofiteerd. Toen wij tussen Rio de Janeiro en Buenos Aires door bureaucratische problemen een paar maanden in Rotterdam vast zaten, gaf meneer Prins mijn geliefde Nederlandse les. Een keer of drie in de week en huiswerk! Hij was een strenge, maar goede leraar en vond dat ik alleen maar Nederlands met haar moest spreken. Daar kwam het niet zo erg van. Wij hadden elkaar Engels sprekend leren kennen en nog nooit in Nederland gewoond. Engels spreken was veel gemakkelijker dan haar keer op keer te moeten verbeteren of uit te moeten leggen waarom de volgorde van de woorden zo moest zijn of waarom de vervoeging van een werkwoord fout was. Eerlijk gezegd, had ik er het geduld ook niet voor. In diezelfde periode gebeurde “11 september.” Ik was aan het kokkerellen toen er dwingend op de voordeur werd geklopt. Dat was, zo wisten wij, onze buurman. Ik had eigenlijk geen zin om open te doen en liet dit aan mijn geliefde over. Die kwam de keuken binnen met de mededeling dat het World Trade Centre in brand stond. Vanuit onze keuken kunnen wij de groene toren van het Rotterdamse WTC zien en daarmee was niets aan de hand. “Zeur toch niet, je kan toch zien dat het niet in brand staat ” of woorden van gelijke strekking moeten mij toen zijn ontsnapt en ik kookte rustig verder. Niet veel later werd ik de keuken uitgesleurd en moest mee om bij Meneer Prins naar de televisie te kijken. Pas toen zag ik dat het New Yorkse World Trade Centre in de fik stond en zagen we hoe een vliegtuig de andere toren binnen vloog. Meneer Prins was er kapot van. Hij beleefde op die dag opnieuw het bombardement van Rotterdam. “Hoe is dat nou daar in Buenos Aires?” placht hij keer op keer te vragen “Je weet toch dat het een prima plek is om Duits te leren spreken?” Hoewel ik hem meerdere malen uitlegde dat iedereen er Spaans sprak en je er met Duits niet al te veel opschoot, hield hij koppig vol. Er woonden immers veel oud Nazi’s en een familielid, die de stad lang geleden had bezocht, had hem dit gemeld en dus was het zo. Aan het slot van ieder bezoek aan Rotterdam belden we aan bij de familie Prins om “tot ziens” te zeggen. “Waar gaan jullie nu naar toe” wilde meneer Prins dan weten, alsof hij daar geen flauw benul van had. “We gaan terug naar Buenos Aires, meneer Prins.” Waarop zijn vaste afscheidsgroet “Happy landings!” was. Vandaag is op verzoek van mijn geliefde in haar kerk voor zijn zielenrust gebeden. Nu is het onze beurt om hem “Happy landings!” toe te wensen. We zullen hem node missen. |