MIDWINTERAVOND (05082003)

“Er wordt me vaak verteld dat mijn vader een geweldig musicus was, maar dat hij niets van de Tango begreep!” Met deze woorden maakt Diana Piazzolla, de dochter van de grote Astor, het lange wachten in een klap goed.

Op de kaartjes van het Teatro Presidente Alvear staat dat de voorstelling om 8 uur begint. Op de officiële aankondiging staat half negen. Rond die tijd is het foyer tot aan de rand gevuld met ongedurige Porteños want de suppoosten laten niemand de zaal in. Onze tijdelijke landgenoten worden met de minuut onrustiger. Het Argentijnse DNA heeft hoorbaar geen “slow hand clap.” Er wordt snel geklapt en “vamos! - komt er nog wat van!” geroepen. Even na negenen mogen we zowaar naar binnen. Een kwartier later wordt door de theatertechnici omgeroepen dat zij een arbeidsconflict hebben met de stadsregering, de eigenaar van het theater. Hun werkgever heeft in het amfitheater van het Parque Centenario, elders in de stad, “goedkope ongeschoolde arbeid” ingezet tijdens een al maanden durende staking. Schande!! Om het publiek de gelegenheid te geven zich solidair te tonen, gaat alle verlichting voor 30 seconden of misschien wel voor een minuut uit. Vanuit het anonieme duister klinken worden beledigingen geschreeuwd. Zoals ik al zei, de uitspraak van Diana Piazzolla deed direct alle vermeende en echte ongemakken vergeten.

De aanleiding voor deze avond is een ontmoeting tussen Astor Piazzolla en Atahualpa Yupanqui in Parijs in 1974. Piazzolla en de poëet en zanger “Dr. Ata” Yupanqui waren beiden voor het diner genodigd bij de architect José Pons, een in de Franse hoofdstad woonachtige landgenoot. Aan de dis verhaalde Dr, Ata volgens zeggen op een ontroerende manier, hoe zijn ouders elkaar hadden leren kennen. Piazzolla was verrukt. Hij nodigde Yupanqui spontaan uit om het verhaal in een gedicht samen te vatten en beloofde daar de muziek bij te zullen componeren. “Als je het maar eenvoudig houdt” schijnt Yupanqui te hebben gereageerd. Een paar dagen later leverde hij het gedicht “Campo, camino y amor” bij Piazzolla af, die het inderdaad van erg mooie muziek zou voorzien.

Atahualpa Yapanqui, de artiestennaam van Héctor Roberto Chavero, zong en componeerde op traditionele Argentijnse motieven geënte muziek. “Folclorismo” heet dat genre hier. Net als Piazzolla was hij in het buitenland veel bekender dan in Argentinië. En net als Piazzolla had hij het politiek gezien moeilijk. Beiden waren overtuigde anti-Peronisten en weigerden gratis op te treden voor de goede doelen van Evita. Beiden leefden in zelf verkozen ballingschap tijdens de militaire dictatuur, terwijl die zich ironisch genoeg afzette tegen alles dat peronistisch was. De ontmoeting in Parijs moet toevallig zijn geweest. Yapanqui wordt in Piazzolla’s biografie twee maal zijdelings, maar bewonderend, genoemd. Het diner in Parijs en het mooie lied dat er uit voortkwam, worden niet vermeld. Amelita Baltar, de toenmalige geliefde van Piazzolla, zou het op de plaat zetten. Die plaat werd, naar het schijnt, veel sneller vergeten dan hij werd opgenomen.

De dochter van Piazzolla en Roberto Chavero, de zoon van Dr. Ata, vonden het een mooi aanknooppunt om een boek over hun vaders te schrijven, “Los Caminos de la Identidad” dat vanavond ten doop wordt gehouden. Een praatje vooraf om herinneringen op te halen en daarna muziek. Voor de pauze muziek van Yapanqui, die in mijn oren qua toonzetting nauwelijks de moeite waard, saai bijna. Maar het gaat om de woorden begrijp ik. Halverwege de voorstelling wordt dat pas echt hoorbaar als de zangeres Suna Rocha, goed articulerend, de gezamenlijke compositie zingt. Het gaat over de vader van Yapanqui die op het platteland (campo) op zoek is naar een paard dat de weg (camino) is kwijtgeraakt en zo zijn moeder ontmoet (amor). De romantische tekst is mooi getoonzet, het werk van twee grootmeesters. Na de pauze is het werk van Piazzolla aan de beurt. Er wordt door hem gecomponeerde en gearrangeerde muziek gespeeld door het “Orquesta de Tango de la Ciudad” het tango orkest van de Buenos Aires. Tango door een klein symfonie orkest, waarin een heftig bespeelde bandoneon node ontbreekt. Net als Vivaldi heeft Piazzolla een “Vier Jaargetijden” gecomponeerd, die van Buenos Aires. Met als solist de violist Fernando Suarez Paz, worden de “Verano Poretño” en de “Primavera Porteña” - de zomer en de lente - gespeeld. Over Suarez Paz staat er trouwens een mooie anekdote in de Piazzolla biografie. De violist, die jarenlang met Piazzolla optrad, werd bij een controle op het vliegveld van München tot op zijn ondergoed uitgekleed. Uit protest trok hij dat toen zelf maar uit, pakte zijn viool en speelde in zijn blote kont een prachtige solo. Ik kan me die reactielevendig voorstellen. Tijdens zijn optreden begint een microfoon rond te zingen. Suarez Paz kijkt verstoord richting techniek, maar speelt onverstoorbaar de sterren van de hemel. En zo hoort het ook!

Net zo pathetisch als Jacques Brel het kon, zingt Guillermo Fernadez als uitsmijter de “Balada para un Loco - de Ballade voor een Gek” een van de grootste successen van Astor Piazzolla en tekstschrijver Horacio Ferrer. Een van de versregels luidt “Kan je de maan niet langs Callao zien rollen?” De Avenida Callao is de avenue om de hoek van het theater waar langs we terug naar huis wandelen. Het is bijna middernacht en midden in de winter, de hemel is helder. Wij zouden de maan ook wel eens langs Callao willen zien rollen, dat geluk is ons helaas niet beschoren. Hoewel ik dacht dat we ons inmiddels behoorlijk hadden aangepast, wonen we kennelijk nog te kort in Buenos Aires om al gek genoeg te zijn dat te kunnen zien. We houden gewoon stug vol, voordat we weer moeten verhuizen, zien we de rollende maan zeker!